• Voorkom plotseling starten. Verminder uw snelheid
om omvallen te voorkomen, wanneer u een bocht
maakt, op oneffen ondergrond en alvorens te
stoppen. Bij het verhogen van de snelheid met
gebruik van de gashendel (indien aanwezig), moet
u de snelheidsregelingspedaal zeer voorzichtig
bedienen om plotseling starten te voorkomen.
• Het voertuig kan geen bocht maken met het
differentieel vergrendeld en een poging hiertoe kan
gevaarlijk zijn.
• Werk niet in de buurt van greppels, gaten, dijken of
andere condities van het grondoppervlak die
kunnen bezwijken onder het gewicht van het
voertuig. Het gevaar dat het voertuig kantelt is nog
groter wanneer de grond los of nat is.
• Kijk altijd waar u heen gaat. Let op obstakels en
vermijd deze. Wees bedacht op rij-uiteinden, in de
buurt van bomen en andere obstructies.
• Laat als u in een groep werkt de anderen altijd
eerst weten wat u gaat doen, voordat u het gaat
doen.
• Probeer nooit in of uit een rijdend voertuig te
stappen.
• Ga niet tussen voertuig en aanhanger staan tenzij
de parkeerrem ingeschakeld is.
• Bedien het voertuig niet wanneer er gevaar voor
blikseminslag bestaat. Zelfs wanneer het voertuig is
uitgerust met een cabine, wordt de bestuurder niet
beschermd tegen blikseminslag.
3. Veiligheid voor kinderen
Een ramp kan zich voordoen, als de bestuurder niet
alert is op de aanwezigheid van kinderen. In het
algemeen
worden
kinderen
voertuigen en het werk dat zij doen.
• Ga er nooit van uit dat kinderen op de plek blijven
waar u ze voor het laatst hebt gezien.
• Houd kinderen uit de buurt van het werkgebied en
onder
het
waakzaam
verantwoordelijk volwassen persoon.
• Wees alert en schakel uw voertuig uit als kinderen
het werkgebied betreden.
• Draag nooit kinderen in de laadbak. Er is geen
veilige plaats voor hen om mee te rijden. Niemand
onder de 5 jaar oud mag in dit voertuig als
passagier meerijden. Een passagier onder de 5 jaar
oud vereist speciale beperkingen die niet bij dit
voertuig beschikbaar zijn.
• Laat nooit kinderen het voertuig bedienen, zelfs niet
onder supervisie van een volwassene.
• Laat nooit kinderen op het voertuig of op het
werktuig spelen.
• Wees extra voorzichtig bij het achteruit rijden. Kijk
alvorens in beweging te komen, achter u en naar
beneden om er zeker van te zijn dat het gebied vrij
is.
RTV-X1110
aangetrokken
door
oog
van
een
ander
VEILIG WERKEN
• Parkeer het voertuig zo mogelijk op een stevige,
platte en vlakke ondergrond. Als dit niet mogelijk is,
moet u het voertuig over de helling parkeren.
Schakel
de
parkeerrem(men)
werktuigen naar de grond, verwijder de sleutel uit
het contactslot en blokkeer de wielen.
4. Werken op hellingen
Hellingen zijn een belangrijke factor wat betreft
ongevallen die kunnen leiden tot ernstig letsel of de
dood veroorzaakt door verlies van controle en kantelen.
Voor alle hellingen is extra voorzichtigheid geboden.
• Rijd recht de helling op of af.
• Verminder de lading wanneer u over heuvelachtig
of ruw terrein rijdt.
• Houd de voorwielen recht als u over de top van de
heuvel gaat of wanneer u over hobbels rijdt.
• Niet plotseling stoppen of starten wanneer u heuvel
op of af rijdt. Wees vooral voorzichtig bij het
veranderen van richting op een helling.
• Als het voertuig stopt of de motor slaat af terwijl u
heuvel op gaat, zet dan de parkeerrem vast om het
voertuig op de helling te houden. Blijf in de
rijrichting en laat langzaam de rem los. Ga
rechtdoor naar beneden, terwijl u de controle
behoudt. Draai het voertuig niet zijwaarts. Het
voertuig is stabieler in een positie recht naar voren
of naar achteren.
• Wanneer u op zacht terrein rijdt, draai dan de
voorwielen een beetje naar boven om het voertuig
in een rechte lijn over de heuvel te houden.
• Als het voertuig begint te kantelen, draai dan de
voorwielen naar beneden om de controle te krijgen
voordat u verder gaat.
1. Rijd altijd achteruit op hellingen om kantelen te
voorkomen. Werk niet op de helling als u er niet
achteruit op kunt rijden of als u zich niet op uw
gemak voelt op de helling. Kom niet op
hellingen die te steil zijn om er veilig op te
kunnen werken.
2. Vooruit een greppel of moerassige condities
uitrijden of vooruit een steile helling oprijden
vergroot het gevaar op naar achteren kantelen
van een voertuig. Vermijd deze situaties altijd.
Extra
voorzichtigheid
wielaandrijving, omdat de grotere trekkracht de
bestuurder vals vertrouwen kan geven in het
vermogen van het voertuig om hellingen op te
rijden.
3. Alle bewegingen op hellingen moeten langzaam
en geleidelijk verlopen. Maak geen plotselinge
wijzigingen in de snelheid of richting of rem niet
plotseling en maak ook geen plotselinge
bewegingen met het stuurwiel.
4. Er moet in het bijzonder gelet worden op het
gewicht en de locatie van werktuigen en vracht,
in,
breng
de
is
geboden
bij
4-
9