HET VOERTUIG STARTEN
(1) Pen
11. Verzeker u er ten slotte van dat de ingestelde
stoelhoogte van voorkant en achterkant goed is.
Bij Normale hoogte gebruikt u het middelste gat
voor en achter.
Bij Lage hoogte gebruikt u het hoogste voor en het
laagste gat achter.
Bij Hoge hoogte, gebruikt u het laagste gat voor en
het hoogste gat achter.
2. Bestuurderaanwezigheidssysteem
(OPC)
Het voertuig is uitgerust met een systeem dat de
waarschuwingslamp
waarschuwingszoemer activeert.
Dit
systeem
werkt
voorwaarden.
Wanneer het voertuig is gestopt:
• Als het contactslot in de stand „AAN" staat (al dan
niet met draaiende motor) en de parkeerrem is niet
ingeschakeld, dan zal 3 seconden nadat de
bestuurder uit de bestuurdersstoel is opgestaan de
waarschuwingszoemer
waarschuwingslampje gaat aan).
Tijdens het rijden:
• De waarschuwingszoemer zal klinken, 3 seconden
nadat de bestuurder uit de bestuurdersstoel is
opgestaan.
3. Veiligheidsgordel
WAARSCHUWING
Ter voorkoming van ernstig letsel of de dood:
• Veiligheidsgordels verminderen letsel. Draag
altijd uw veiligheidsgordels. De heupgordels
bieden mogelijk niet voldoende bescherming
voor kleine kinderen. Speciale zorg wordt
aanbevolen bij het vervoer van een kind als
passagier.
Maak gebruik van een kinderzitje, waar nodig.
RTV-X1110
(2) Klempen (voorzijde)
inschakelt
en
volgens
de
onderstaande
klinken
• Gebruik altijd de veiligheidsgordels, tijdens het
bedienen van en rijden in het voertuig.
Pas de veiligheidsgordels aan naar de eigen pasvorm
en klik de gesp vast.
Deze veiligheidsgordel is zelfvergrendelend met een
oprolmechanisme.
(1) Veiligheidsgordel
4. Verstelbaar stuur
Stel het stuurwiel in op de juiste positie. Het stuurwiel
kan worden aangepast terwijl aan de kantelhendel
wordt getrokken.
een
(het
(1) Kantelhendel
5. Koplampschakelaar
De koplampschakelaar is in werking wanneer het
contactslot in de stand „AAN" of „UIT" staat.
HET VOERTUIG BEDIENEN
(P) „AANTREKKEN"
45