alvorens
door
aangedreven
materieel
gebruiken.
• Wacht tot alle bewegende onderdelen volledig zijn
gestopt, alvorens van het voertuig af te gaan en
door
hydraulische
materieel aan te koppelen, af te koppelen, bij te
stellen, te reinigen of te onderhouden.
• Trek bij het bedienen van stationair hydraulisch
aangedreven materieel, altijd de parkeerrem van
het voertuig aan en plaats blokken achter en voor
de achterwielen. Blijf uit de buurt van alle draaiende
onderdelen. Stap nooit over draaiende onderdelen.
(1) Hydraulische aansluiting (in-
dien aanwezig)
HET VOERTUIG PARKEREN
• Zorg ervoor dat de hydraulische aansluiting uit is
(indien aanwezig), laat alle werktuigen naar de
grond zakken, plaats alle bedieningshendels in de
neutrale stand, trek de parkeerrem aan, stop de
motor en verwijder de sleutel.
• Zorg ervoor dat het voertuig volledig tot stilstand is
gekomen alvorens uit te stijgen.
• Vermijd parkeren op steile hellingen, probeer als
enigszins mogelijk op een stevige en vlakke
ondergrond te parkeren; is dit niet mogelijk, parkeer
dan op een helling met de wielen geblokkeerd en
altijd aan de grond bevestigd.
Indien u zich niet aan deze waarschuwing houdt,
bestaat het risico dat het voertuig in beweging komt
en letsel of dood veroorzaakt.
RTV-X1110
hydraulische
aansluiting
te
installeren
of
aansluiting
aangedreven
VEILIG WERKEN
te
(1) Parkeerremhendel
VERVOER VAN HET VOERTUIG
• Schakel de stroom naar de hulpstukken uit tijdens
transport of buiten gebruik.
• Sleep dit voertuig nooit. Gebruik een geschikte
truck of aanhanger bij transport op de openbare
weg.
• Wees extra voorzichtig bij het laden of lossen van
het voertuig in of uit een aanhanger of truck.
SERVICE VAN HET VOERTUIG
Alvorens u onderhoud aan het voertuig pleegt, parkeert
u het voertuig op een stevig, plat en vlak oppervlak,
activeert u de parkeerrem, laat u alle werktuigen
zakken tot op de grond, zet u de versnellingshendel in
de neutraalstand, stopt u de motor en verwijdert u de
contactsleutel.
• Laat
het
werkzaamheden te verrichten aan of in de buurt
van de motor, demper, radiateur etc.
• Zet altijd de motor uit alvorens te beginnen met
tanken. Voorkom morsen en overvullen.
• Rook niet tijdens werkzaamheden in de buurt van
de accu of tijdens het tanken. Houd vonken en
vlammen uit de buurt van de accu en de
brandstoftank. De accu heeft explosiegevaar,
omdat deze waterstof en zuurstof uitstoot, in het
bijzonder tijdens het opladen.
• Lees
en
volg
„jumpstart" uit te voeren aan een lege accu. (Zie
JUMPSTART op pagina 39.)
• Houd altijd een eerstehulpkit en een blusapparaat
bij de hand.
• Maak de massakabel van de accu los alvorens op
of in de buurt van elektrische componenten te
werken.
• Gebruik het type hervulbare accu niet of laad deze
niet op als het vloeistofniveau onder het merkteken
[LOWER] (onderste limietniveau) is, om de
mogelijkheid van een accu-explosie te voorkomen.
voertuig
afkoelen
alle
instructies
alvorens
alvorens
een
11