ELEKTRISCHE AANSLUITINGEN
Doorgang van de elektriciteitskabels
De elektrische kabels mogen niet in contact komen met onderdelen die tijdens de werking heet kunnen worden (bijvoorbeeld: motor en transformator).
Zorg ervoor dat de bewegende mechanische elementen zich op voldoende afstand van de kabels bevinden.
Voeding
Vergewis u ervan dat tijdens de installatie de stroom is uitgeschakeld.
Voordat u aan de stuurkast gaat werken, dient u de stroom uit te schakelen en de batterijen, indien aanwezig, te verwijderen.
Aansluiting aan het elektriciteitsnet
F
Lijnzekering
L
Fasekabel
N
Neutrale kabel
Aardingskabel
F
Uitgang voeding voor uitrustingen
De uitgang levert doorgaans 24 V AC.
De uitgang levert 24 V DC als de batterijen, indien aanwezig, ingrijpen.
10 11 E1 E6 Rx Tx
E1 E6 Rx Tx
1
1
2
2
3
3
3P 4
3P 4
5
5
7
7
CX
CX
CY
CY