NL
Regeling van de drukregelaar (Afbeelding 4)
De in- en uitschakeldruk van de drukregelaar zijn in de fabriek afgesteld.
Hieronder wordt beschreven hoe de regelingen van de drukregelaar kunnen worden gewijzigd en aan de eigenschappen van het
systeem kunnen worden aangepast.
•
Draai de differentieelmoer (1) volledig
los;
•
Draai aan de
minimuminterventiemoer (2) tot de
Inbedrijfstelling van de pomp
GEVAAR
Gebruik de elektropomp binnen het bereik dat is vermeld op het typeplaatje. Lees voor elk gebruik het hoofdstuk Operation
voor goed gebruik.
GEVAAR
Laat de pomp om geen enkele reden werken met gesloten afsluiter (aan de aanzuigzijde). Door een droge werking kan de
pomp oververhit en beschadigd raken.
GEVAAR
Laat de elektropomp niet draaien als de afsluiter volledig is gesloten (aan de toevoerzijde). In dit geval wordt het water in het
systeem erg warm en bestaat het gevaar voor schade aan het apparaat en brandwonden in het geval dat de vloeistof naar
buiten stroomt. Schakel in dit geval de pomp uit en laat het systeem afkoelen.
GEVAAR
Gebruik de pomp niet in het geval van cavitatie om schade aan de hydraulische componenten te voorkomen.
GEVAAR
De druk na de pomp (toevoerzijde) mag de maximale bedrijfsdruk PN gegeven op het plaatje van de pomp niet overschrijden,
zie "Bedrijfslimieten" Afbeelding 5. De druk na de pomp wordt gegeven door de som van de druk die wordt afgegeven door de
pomp en de druk aan de aanzuigzijde (zwaartekracht in het geval van installaties onder de vloeistofhoogte, waterleiding of
waternet waar mogelijk of vereist).
1. Verifieer of de afsluiters na de pomp
(toevoerzijde) en voor de pomp zijn
geopend.
2. Start de pomp.
52
sluitwaarde van de contacten (start
van de pomp) is bepaald: rechtsom
neemt de druk toe, linksom neemt
de druk af;
3. Schakel de pomp uit als deze niet
correct start en niet binnen korte tijd
de bedrijfsvoorwaarden bereikt.
•
Draai de differentieelmoer (1) weer
vat tot de gewenste interventiedruk
is verkregen.
4. Herhaal de fase "Aanzuiging van de
pomp".