eo
-
=
"-1 3
Stelt het argument voor INPUT in
niveau 1 samen. (Type 4 spaties
tussen het eerste scheidingsteken
en het eerste —, twee spaties tussen
de twee -, en 3 spaties tussen het
tweede - en het afsluitende
scheidingsteken ".)
INPUT
Onderbreekt het programma voor
gegevensinvoer.
DUP 1 2 SUE
Kopieert de resultaat-string en
SWAP
neemt hier de eerste vier en laatste
9 12 5UEB
drie cijfersals string uit.
ENTER] [] SOFI
Slaat het programma op in SOFI.
Programma-uitvoer van een label voorzien
Een beschrijvende markering of melding maakt de uitvoer van een
programma beter herkenbaar.
Het gebruik van gemarkeerde objecten als
gegevensuitvoer
U kunt de uitkomst van een programma van een label voorzien met het
commando -TAG. »TAG ([PRG]
0EJ
+THG )gebruikt twee
argumenten: een willekeurig object uit niveau 2, en een naam, string of
reéel getal (de markering) uit niveau 1.
Het volgende programma, TTAG,is hetzelfde als TINPUT, maar nu
wordt het resultaat gemarkeerd.
568
29: Interactieve programma's