5. Instellingen instrument aanpassen - Setup
Reset
Instrument adres
Baudrate
Parity
Stop bits
Data bits
78
Met deze functie kunnen de analyses worden gereset (bijv. reset na afronding van de
inbedrijfname van een installatie).
Opmerking Alle voorgaande (inbedrijfname-) signalen worden gewist.
De grafiek/opslag wordt echter niet beïnvloedt, wanneer u setup verlaat en daar de
vraag "nieuwe programmering opslaan ?" met "Nee" beantwoordt. Wanneer u de
vraag met "Ja" beantwoordt, dan wordt ook de geheugeninhoud en daarmee de
grafische aanwijzing gewist/opnieuw begonnen.
Wanneer de voorgaande signalen nog nodig zijn, sla deze dan voor het resetten op
een diskette op (zie hoofdstuk "Bedrijf - Oproepbare functies - diskette"). De reset
wordt direct actief wanneer u hier met "Ã" deze bevestigt.
Overige:
Instellingen voor de interface, werking bij PROFIBUS-gebruik, modemverbinding,
testbedrijf met gesimuleerde signalen (met gebruik van de ingestelde parameters) en
informatie omtrent de geheugenbeschikbaarheid met de actuele geheugentijden.
• RS 232/RS 422/RS 485:
Instellingen alleen noodzakelijk, wanneer u een van de interfaces van het instrument
gebruikt (bediening via de PC, seriële data-overdracht, modembedrijf enz.).
Ieder serieel gebruikt instrument moet een eigen adres hebben (00...99). Deze is
nodig voor de identificatie door de PC-software.
De overdrachtssnelheid (= "Baudrate") moet overeenkomen met de instellingen van
de PC-software. Bij een baudrate van 38400 moeten beide interfaces identiek
ingesteld worden. Bij alle andere baudrates kunnen verschillende waarden staan.
Deze instelling moet overeenkomen met de instellingen van de PC-software.
Deze instelling moet overeenkomen met de instellingen van de PC-software.
Deze instelling moet overeenkomen met de instellingen van de PC-software.
Vast ingesteld; kan niet worden gewijzigd.