Hieronder wordt de status beschreven van elk van de
verschillende instrumentgedeelten die in de linker onderhoek
verschijnen.
Wanneer dit
getoond wordt:
Fix Data
Data van een instrumentgedeelte van
(Vaste data)
een een voorkeuzeritme of
gebruikersritme. De enige instellingen
die bewerkt kunnen worden voor een
instrumentgedeelte met deze status
zijn de mixerinstellingen. Real-time
opname van toetsenbordnoten en
gebeurtenisbewerkingen zijn niet
toegestaan.
Recorded Data
Instrumentgedeelte wordt bewerkt
(Opgenomen data)
d.m.v. een opnamegebied terwijl
opgenomen data bewaard wordt in het
opnamegebied. Mixerinstellingen,
real-time opname van
toetsenbordnoten en
gebeurtenisbewerking zijn toegestaan
voor een instrumentgedeelte met deze
status.
Empty
Instrumentgedeelte wordt bewerkt
(Geen data)
d.m.v. een opnamegebied maar er is
geen opgenomen data in het
opnamegebied (opnamegebied is
leeg). Mixerinstellingen, real-time
opname van toetsenbordnoten en
gebeurtenisbewerking zijn toegestaan
voor een instrumentgedeelte met deze
status.
Gebruikersritme nummers
De ritmegebieden F:001 - F:100 zijn voor het opslaan van
gebruikersritmes. U kunt maximaal 100 gebruikersritmes op
elk moment opgeslagen hebben in het geheugen. U kunt een
opgeslagen gebruikersritme oproepen door te drukken op de
L-8 ([F] USER RHYTHMS) toets. Zie "Weergeven van een
automatische begeleiding" (pagina D-24) voor meer
informatie.
Betekent dat dit:
Gebruiken van de patroonsequencer
Creëren van een gebruikersritme
Dit hoofdstuk geeft een verklaring van de verschillende
methoden die u kunt gebruiken om gebruikersritmes te
creëren.
■ Bewerken van een of meer onderdelen van een
bestaand ritme
Met deze procedure kunt u een bestaand voorkeuzeritme of
een eerder opgeslagen gebruikersritme bewerken of een
nieuw ritme creëren.
Met deze methode kunt u specifieke onderdelen van een
bestaand begeleidingspatroon selecteren en bewerken (of
opnieuw opnemen) het resultaat opslaan.
Hieronder volgt de algemene stroom voor deze methode.
Controleer de inhoud van het ritme dat u wilt bewerken
en bepaal hoe (en welk gedeelte van welk
begeleidingspatroon*) u het gaat bewerken.
Configureer d.m.v. het opnamemenu instellingen die
gerelateerd zijn aan begeleidingspatroonopname.
Toon het instrumentgedeelte voor het
begeleidingspatroon dat u wilt bewerken en configureer
dan de gewenste mixerinstellingen en neem de
toetsenbordnoten op.
Sla nadat het bewerken voltooid is het ritme op als een
gebruikersritme.
* U kunt INTRO of ENDING van een begeleidingspatroon of
een bestaand ritme niet bewerken.
"Repeteren alvorens een bestaand ritme te bewerken"
(pagina D-104) en "Bewerken van een bestaand ritme"
(pagina D-107) voor details betreffende deze procedure.
D-103