Probleemopsporing
Probleem
Oplossing
Controleer of de unit is aangesloten op de
De luchtontvochti-
netvoeding en is ingeschakeld.
ger werkt niet
Controleer of de watertank niet vol is. Indien deze
vol is, leeg de tank.
Controleer of de watertank correct is geïnstal-
leerd.
Controleer of de watertank niet vol is. Indien deze
Het apparaat
vol is, leeg de tank.
ontvochtigt niet
Reinig de luchtfi lter.
Zorg ervoor dat de luchtstroom door het ap-
paraat niet wordt belemmerd.
Verminder ventilatie (gesloten deuren en ramen).
Het apparaat
Zorg ervoor dat er niet te veel bronnen van
verwijdert niet
vocht zijn.
genoeg vocht uit
Zorg ervoor dat het apparaat niet wordt gebruikt
de lucht
om een ruimte te ontvochtigen die groter is dan
in de specifi caties is aangegeven.
Het apparaat loopt
Controleer of de zwenkwielen schoon zijn en niet
niet soepel op de
geblokkeerd worden door vuil.
zwenkwielen
Wat u moet doen als het product de radio- of tv-ontvangst verstoort.
Als de luchtontvochtiger de radio- of televisie-ontvangst verstoort, voer
dan een of meerdere van de volgende maatregelen uit:
– Pas de ontvangstantenne aan of positioneer deze opnieuw.
– Vergroot de afstand tussen het product en de radio of tv.
– Sluit de luchtreiniger aan op een stopcontact in een andere stroomgro-
ep dan de groep waarop de radio- of televisie-ontvanger is aangesloten.
– Raadpleeg uw dealer of een gekwalifi ceerde radio- of tv-monteur.
Technische specifi caties
Model
Ontvochtiging (liter per dag); 30 °C, 80% RV
Nominale spanning
Stroomverbruik (W); 30 °C, 80% RV
Luchtstroom (m³/u)
Grootte van de ruimte (m²)
Koelmiddel
Koelmiddelvolume (g)
Capaciteit waterreservoir (l)
Afmetingen apparaat (B × H × D in mm)
Gewicht (kg)
Snoerlengte (m)
Stroomverbruik in stand-by(W)
OPMERKING:
– RV - Relatieve vochtigheid
– Grootte van de ruimte gebaseerd op de JEMA-norm (Japan Electrical
Manufacturers' Association).
Informatie voor de technicus
1. Bekabeling
Zorg ervoor dat de bekabeling niet onderhevig is aan slijtage, corrosie,
overmatige druk, trillingen, scherpe randen of andere nadelige
omgevingsinvloeden. Let ook op eventuele eff ecten veroorzaakt door
veroudering of voortdurende lekkages. Een halidefakkel (of een andere
detector die een open vlam gebruikt) mag niet worden gebruikt.
2. Detectie van brandbare koelmiddelen
GEBRUIK GEEN mogelijke ontstekingsbronnen om naar koelmiddellekken
te zoeken. Een halidefakkel (of een andere detector die een open vlam
gebruikt) mag niet worden gebruikt.
3. Lekdetectie methoden
De volgende lekdetectiemethoden worden als acceptabel beschouwd
voor systemen met brandbare koelmiddelen.
Elektronische lekdetectoren kunnen worden gebruikt om brandbare
koelmiddelen te detecteren, maar de gevoeligheid is mogelijk niet
voldoende, of moet opnieuw worden gekalibreerd (detectieapparatuur
moet worden gekalibreerd in een koelmiddelvrije ruimte). Zorg ervoor
dat de detector geen potentiële ontstekingsbron is en geschikt is voor
het gebruikte koelmiddel. Lekdetectieapparatuur moet worden ingesteld
op een percentage van de LFL van het koelmiddel en moet worden
gekalibreerd op het gebruikte koelmiddel, en het juiste percentage gas
(maximaal 25%) moet worden bevestigd.
Lekdetectievloeistoff en zijn geschikt voor gebruik met de meeste
koelmiddelen, maar het gebruik van detergenten die chloor bevatten moet
worden vermeden omdat het chloor kan reageren met het koelmiddel en
de koperen leidingen kan aantasten.
Als een lek wordt vermoed, moeten alle open vlammen worden
verwijderd/uitgedoofd.
Als er een koelmiddellek wordt gevonden dat solderen vereist, moet al
het koelmiddelgas uit het systeem worden teruggewonnen, of worden
geïsoleerd (door middel van afsluitkleppen) in een deel van het systeem
zowel vóór als tijdens het soldeerproces.
4. Verwijdering en evacuatie
Bij het openen van het koelmiddelleidingcircuit voor reparaties of voor
enig ander doel – moeten conventionele procedures worden gebruikt.
Het is echter belangrijk dat de beste praktijken worden gevolgd omdat
brandbaarheid een overweging is. De volgende procedure moet worden
UD-T10A, UD-T104A
gevolgd:
Verwijder het koelmiddel.
10
Spoel het circuit met inert gas.
220-240 V AC /50 Hz
Vacumeren.
Opnieuw spoelen met inert gas.
220 W
Open het circuit door te snijden of te lassen.
De koelmiddellading moet worden teruggewonnen in de juiste
90
terugwinningcilinders. Het systeem moet worden doorgespoeld met OFN
Max 22
om de unit veilig te maken. Dit proces moet mogelijk meerdere keren
worden herhaald. Samengeperste lucht of zuurstof mag voor deze taak
R290
niet worden gebruikt.
35
Doorspoelen moet worden bereikt door het vacuüm in het systeem met
OFN te doorbreken en door te gaan met vullen totdat de werkdruk is
2
bereikt, vervolgens ventileren naar de atmosfeer, en ten slotte het systeem
290 x 476 x 245mm
onder vacuüm brengen. Dit proces moet worden herhaald totdat er geen
koelmiddel meer in het systeem zit. Wanneer de laatste OFN-lading wordt
12
gebruikt, moet het systeem worden ontlucht tot atmosferische druk om
het werk mogelijk te maken. Deze operatie is cruciaal als laswerk aan de
180
leidingen moet worden uitgevoerd. Zorg ervoor dat de aansluiting van
0,42
de vacuümpomp zich niet dichtbij ontstekingsbronnen bevindt en er
ventilatie beschikbaar is.
5. Laadprocedures
Naast conventionele laadprocedures moeten de volgende vereisten
worden opgevolgd.
Zorg ervoor dat er geen besmetting van verschillende koelmiddelen
NL