Als het minimumniveau is bereikt, worden de pompen ingeschakeld. De zoemer klinkt, de overeenkomende
alarmuitgang (OUT3) wordt geactiveerd
In alle gevallen wordt op het display het type alarm aangeduid.
Als de alarmcondities zijn opgeheven, hervat NGPANEL de normale werking.
Alarm maximumniveau: het signaal voor dit alarm kan afkomstig zijn van een vlotter, een niveauvoeler of de dieptesensor. De
-
niveauvoeler of vlotter moet worden aangesloten op de klem N van NGPANEL en in het vat worden geplaatst op het hoogste
punt dat de vloeistof veilig kan bereiken.
Opmerking: als dit alarm niet wordt gebruikt, moet de klem N worden overbrugd, tenzij ervoor gekozen wordt om
normaal gesloten vlotters te gebruiken. In dit geval kan in het systeem aangegeven worden dat de ingang N niet moet
worden gebruikt, door de instructies op het display te volgen in par. 14.3 Configuratie VULLING.
Als de dieptesensor wordt gebruikt om dit alarm te krijgen, moet de parameter worden afgesteld volgens de instructies op het display,
in par. 14.3.1 Gebruik met dieptesensor > Configuratie met beschermingsniveaus.
Alarm minimumniveau: het signaal voor dit alarm kan afkomstig zijn van een vlotter, een niveauvoeler of de dieptesensor. De
-
niveauvoeler of vlotter moet worden verbonden met het contact R van NGPANEL en in het vat worden geplaatst op het laagste
punt dat de vloeistof veilig kan bereiken.
Als de dieptesensor wordt gebruikt om dit alarm te krijgen, moet de parameter worden afgesteld volgens de instructies op het
display, in par. 14.3.1 Gebruik met dieptesensor > Configuratie met beschermingsniveaus.
Opmerking: als dit alarm wordt geactiveerd, starten de pompen automatisch.
Opmerking: als dit alarm niet wordt gebruikt, moet de klem R open gelaten worden, tenzij ervoor gekozen wordt om
normaal open vlotters of niveauvoelers te gebruiken. In dit geval kan in het systeem aangegeven worden de ingang R
niet te gebruiken, door de instructies op het display te volgen in par. 14.3 Configuratie VULLING.
Voor ingangen en beveiligingen, zie Afb.10
-
Beveiliging tegen drooglopen: het paneel heeft een ingang voor beveiliging tegen drooglopen, gesignaleerd door een vlotter
die is ondergedompeld in de tank van de pompen die het paneel bedient. De inrichting moet worden verbonden met contact S
van NGPANEL en op een zodanige hoogte in het vat worden geplaatst dat de pomp niet wordt beschadigd als gevolg van
drooglopen (raadpleeg de installatie- en bedieningsinstructies van het gebruikte product).
Thermische beveiliging motoren: het apparaat heeft een ingang voor de thermische beveiliging van elke motor. Als de gebruikte
-
motor een thermische beveiliging heeft, kan deze worden verbonden met de klemmen KK. Als de beveiliging niet in de motor
aanwezig is, moeten de klemmen worden overbrugd, tenzij dit al in de fabriek is gedaan. De klemmen zijn te zien op Afb.5.
-
Beveiliging olievoeler: het apparaat heeft een optionele ingang voor de beveiliging van de oliekamers van elke motor. De
kabels van de olievoeler kunnen worden verbonden met de overeenkomende ingangen (OIL1 voor pomp 1 en OIL2 voor pomp
2). Als er water in de oliekamer is en het paneel genereert een alarm, sluit het overeenkomende relais van de pomp (OUT1 voor
pomp 1 en OUT2 voor pomp 2) en (indien geactiveerd) klinkt de interne zoemer. In het geval van een alarm kan de foutsignalering
worden afgelezen van het display (als het apparaat hiervan is voorzien) en zetten de pompen hun gewone werking voort.
7.2
Aansluiting uitgangen
Optredende alarmen worden op drie manieren door NGPANEL gesignaleerd:
-
Door de zoemer die geactiveerd en gedeactiveerd kan worden vanaf het bedieningspaneel, zie par. 14.4 Optionele configuraties.
-
Via de uitgangen OUT1, OUT2, OUT3 door omschakeling van de uitgangscontacten. De bedrijfslogica van de alarmen is als
volgt: OUT1 sluit na storingen van pomp 1, OUT2 na storingen van pomp 2 en OUT3 wegens algemene fouten.
-
Via de aanwijzingen op het display kan de beschrijving van de actuele signalering worden bekeken, en is het tevens mogelijk om
de alarmengeschiedenis op te roepen.
Als ze extern zijn verbonden, geven ze een alarm op afstand.
7.2.1
Aansluiting vlotters
Er kunnen 2 of 3 controle-ingangen worden gebruikt, die als volgt moeten worden aangesloten:
-
Systeem met 2 vlotters: in dit geval moeten de ingangen B en C worden gebruikt (A mag niet worden gebruikt en moet worden
overbrugd in het geval van normaal gesloten vlotters). De vlotters moeten in het vat worden geplaatst zoals in Afb.9. Voor de
elektrische installatie, zie Afb.10.
Als er normaal open vlotters worden gebruikt, is het belangrijk dat de ingang A wordt overbrugd. Zo niet, dan
stoppen de pompen niet.
NEDERLANDS
149