– controleer of de inrichting in alle gevallen reageert, door
van de status 'actief' over te gaan naar de status 'alarm'
en andersom
– controleer of de beoogde actie wordt veroorzaakt in de
besturingseenheid (bijvoorbeeld, omkering van de bewe-
ging bij de sluitmanoeuvre)
8.
controle van de beveiliging tegen gevaar van stijging:
bij automatiseringen met verticale beweging moet worden
gecontroleerd of er geen optilgevaar bestaat. Deze test kan
op de volgende manier worden uitgevoerd:
– hang op de helft van de slagboom een gewicht van 20 kg
(bijvoorbeeld, een zak grind)
– bedien een openingsmanoeuvre en ga na of de slagboom
bij deze manoeuvre niet hoger dan 50 cm boven zijn ge-
sloten stand komt
– in het geval de slagboom deze hoogte overtreft, dient
u de motorkracht te verminderen (zie hoofdstuk "PRO-
GRAMMERING")
9.
als gevaarlijke situaties, die worden veroorzaakt door de
beweging van de slagboom, opgeheven zijn door middel
van begrenzing van de stootkracht, moet de kracht worden
gemeten volgens de voorschriften van de norm EN 12445.
Eventueel, als de controle van de "motorkracht" wordt ge-
bruikt als hulpmiddel voor het systeem om de stootkracht
te verlagen, moet de regeling uitgeprobeerd en gevonden
worden die de beste resultaten oplevert
10.
controle van de werking van het ontgrendelingssys-
teem:
– doe de slagboom in de sluitpositie en voer een handma-
tige ontgrendeling uit (zie paragraaf "Handmatig ont-
grendelen en vergrendelen van de reductiemotor")
– controleer of dit zonder problemen gebeurt
– controleer of de handbediende kracht om de slagboom
in de geopende stand te bewegen niet groter is dan 200
N (circa 20 kg)
– de kracht wordt haaks op de slagboom gemeten en op 1
m vanaf de rotatieas
11.
controle van het afkoppelingssysteem van de voe-
ding:controleer, door de afkoppelingsvoorziening van de
voeding te bedienen en de eventuele bufferbatterijen af te
koppelen, of alle leds op de besturingseenheid uit zijn en of
de slagboom niet beweegt wanneer er een instructie wordt
verzonden. Controleer de werking van het ontgrendelings-
systeem om onopzettelijke of ongeoorloofde heraankoppe-
ling te vermijden.
6.2 INBEDRIJFSTELLING
a
De inbedrijfstelling kan alleen plaatsvinden nadat
alle fasen van de eindtest met succes zijn doorlo-
pen.
a
Voordat u de automatisering in bedrijf stelt, dient u
de eigenaar voldoende op de hoogte te stellen van
nog aanwezige gevaren en restrisico's.
a
Het is verboden om de installatie gedeeltelijk of on-
der "tijdelijke" omstandigheden te laten werken.
Voer de inbedrijfstelling als volgt uit:
1.
stel het technisch dossier van de automatisering samen met
de volgende documenten: een overzichtstekening van de
automatisering, het schema van de gemaakte elektrische
aansluitingen, de risicoanalyse en bijbehorende toegepas-
te oplossingen, de verklaring van overeenstemming van de
fabrikant van alle gebruikte inrichtingen en de verklaring van
overeenstemming die is opgemaakt door de installateur
20 – NEDERLANDS
2.
breng op de slagboom een niet te verwijderen etiket of pla-
tje aan waarop de handelingen zijn aangegeven voor het
ontgrendelen en handmatig bewegen van de slagboom "Af-
beelding 40"
40
3.
breng op de slagboom een plaatje aan met ten minste de
volgende gegevens: het type automatisering, naam en adres
van de producent (verantwoordelijke voor de "inbedrijfstel-
ling"), serienummer, bouwjaar en CE-merk
4.
vul de verklaring van overeenstemming van de automatise-
ring in en overhandig deze aan de eigenaar
5.
vul de "Gebruikshandleiding" van de automatisering in en
overhandig deze aan de eigenaar van de automatisering
6.
vul het "Onderhoudsplan" in met daarin de voorschriften voor
het onderhoud van alle inrichtingen van de automatisering
en overhandig dit aan de eigenaar van de automatisering.
l
Van alle genoemde documenten stelt Nice, via de
eigen technische assistentiedienst, de gebruiks-
handleiding, gidsen en voorgedrukte formulieren
ter beschikking.