2
3
4
Een formaattoets een naam geven
1
2
4-50
Standaard instellingen aangeven
Selecteer een formaattoets ([S1] t/m [S5]) om een afwijkend
papierformaat op te slaan of te bewerken
Bewerken].
OPMERKING
• Formaattoetsen waar al instellingen zijn opgeslagen, verschijnen met een gekleurd driehoekje
(
) in de rechter onderhoek van de toets.
• Als u een formaattoets selecteert waar al instellingen zijn opgeslagen, dan verschijnen die
instellingen op het touch panel display.
Voer de afwijkende papierformaat in met de numerieke toetsen op het
touch panel display.
Druk op [X]
voer een waarde in.
Druk op [Y]
voer een waarde in.
Druk op [OK].
OPMERKING
• Druk op [Inch] als u waarden in inches wilt invoeren.
• Voor meer informatie over het invoeren van waarden in inches, raadpleegt u "Waarden in inches"
op pag. 2-28.
• Als u tijdens het invoeren van waarden een vergissing maakt, drukt u op [C] op het touch panel
display
voer de juiste waarden in.
Druk op
[Standaard instellingen]
voor papiertafel].
Selecteer de formaattoets ([S1] - [S5]) die u een naam wilt geven
druk op [Naam opslaan].
OPMERKING
• Formaattoetsen waar al instellingen zijn opgeslagen, verschijnen met een gekleurd driehoekje
(
) in de rechter onderhoek van de toets.
• Als u een formaattoets selecteert waar al instellingen zijn opgeslagen, dan verschijnen die
instellingen op het touch panel display.
• Ook de toetsen waar geen instellingen zijn opgeslagen, kunt u een naam geven.
druk op [Opslaan/
[Opslaan afwijkend formaat