Apparaatinformatie-instellingen
Apparaatinformatie-instellingen stelt u in staat de naam van de machine in te stellen en
informatie over de plaats van de machine in te voeren.
1
2
6
6-22
Apparaatinformatie-instellingen
Druk op
[Systeeminstellingen]
[Apparaatinformatie-instellingen].
Voer de naam en de locatie van deze machine in.
Druk op [Apparaatnaam]
Druk op [Locatie]
voer de plaats in waar de machine zich bevindt
Druk op [OK].
OPMERKING
Voor meer informatie over het invoeren van tekens, raadpleegt u "Invoeren van tekens via het
touch panel display" op pag. 2-27.
voer de naam van de machine in
druk op [OK].
druk op [OK].