3
Hoofdstuk 3 Bedrading
De verschillende bedradingsopties zijn afhankelijk van het typenummer. Kijk op de stickers die de
aansluitpunten aangeven aan de rechterzijde van de spanningsregelaar en vergelijk uw typenummer
met de onderstaande en met de typenummeropgave in de bijlage (pagina A.10) van deze handleiding.
Dit hoofdstuk illustreert hoe de ingangen en uitgangen voor alle typen bedraad moeten worden. Zie
figuur 3.1 voor richtlijnen m.b.t. aanspanning van aansluitpunten.
Richtlijnen voor aanspanning
• Draai de contactpunten stevig aan door deze gedurende 30 seconden aangespannen te houden waardoor de
draden zich kunnen zetten en de kans op loslaten door afkoeling minimaal is.
• Span alle contactpunten na 48 uur opnieuw aan.
• Een onderhoudsschema moet vermelden dat netstroom- en voedingsaansluitingen elke drie tot zes maanden
opnieuw aangespannen moeten worden.
Contactpunten 1 t/m
6 en aansluitpunt voor
aarde.
Aanspannen tot 20 Nm
met bijgeleverde 10mm
Allen sleutel.
Draden strippen over
een lengte van 30mm.
Gebruik Phillips
schroeven nr. 3 voor
montage van de
zekeringen.
Uitvoeringen PXX-F20X-
XXXX en PXX-N20X-
XXXX aanspannen tot
2,93 Nm.
Uitvoeringen PXX-F25X-
XXXX, PXX-N25X-
XXXX, PXX-F30X-XXXX
en PXX-N30X-XXXX:
aanspannen tot 4,95 Nm
Figuur 3.1 — Aanspanning en draadstrippen
Watlow Power Series
Power Series
Solid State Power Control
Allen sleutel
(platte kant moet tegen de kast rusten).
Gebruik moerbouten van
7,94mm voor montage
van de zekeringen.
Aanspannen tot 4,95 Nm
Aansluitpunten Spanningsregelaar
Draden strippen over
een lengte van 6mm
Aanspannen tot 0,9 Nm met
gebruikmaking van een platte
schroevendraaier met een bek van
2,5mm. Geschikt voor 3,3mm -
0,324mm (12-22 AWG) of twee
0,324mm - 0,82mm (nr. 22-18
AWG) draden.
Bedrading
3 . 1