• Het zichtveld van de bestuurder is
niet goed verlicht (te donker, te
veel reflectie of te veel tegenlicht
waardoor het zichtveld wordt
gehinderd)
• De
voorligger
heeft
achterlichten niet ingeschakeld
• De
helderheid
van
omgevingslicht
plotseling, bijvoorbeeld wanneer u
een tunnel in- of uitrijdt
• De voorligger rijdt onregelmatig
• De auto rijdt op een onverharde of
slechte weg of op een weg met
plotselinge
veranderingen
hellingshoek
• De auto rijdt onder straatniveau of
in een gebouw.
• De auto rijdt in de buurt van
gebieden met metalen constructies,
zoals
bij
wegwerkzaamheden,
spoorwegen, enz.
• De auto voor nadert de rijrichting
van opzij.
• De auto voor staat dwars op de
rijrichting stil.
• De voorligger rijdt naar u toe of rijdt
achteruit.
de
het
verandert
- Rijden in bochten
De prestaties van het AEB-systeem
worden mogelijk beperkt bij het
in
rijden op een bochtige weg.
In bepaalde gevallen wordt het AEB-
systeem op een bochtige weg
mogelijk voortijdig geactiveerd.
Ook wordt in bepaalde gevallen op
een bochtige weg de voorligger
mogelijk niet gesignaleerd door de
radarsensor
cameraherkenningssysteem.
Bewaar in deze gevallen altijd
voldoende afstand tot de voorligger,
zodat u de auto veilig tot stilstand
kunt brengen en trap indien nodig
het rempedaal in om de rijsnelheid te
verlagen.
OAE056100
Mogelijk herkent het AEB-systeem
bij het rijden op een bochtige weg
een voertuig op de andere rijstrook.
In dit geval alarmeert het systeem de
bestuurder mogelijk onnodig en
wordt onnodig geremd.
Let tijdens het rijden altijd op de weg-
en rijomstandigheden. Trap indien
nodig het rempedaal in om de
rijsnelheid te verlagen en een veilige
voor
of
het
tussenafstand te bewaren.
Trap daarnaast indien nodig het
gaspedaal in om te voorkomen dat
de auto onnodig door het systeem
decelereert.
OAE056101
5
5-59