VERWARMING, VENTILATIE, AIRCONDITIONING
Voorbehandeling
Ga als volgt te werk om het voorbehandelen
te activeren:
– Druk op 2 om de airconditioningmodus te
selecteren;
– Draai aan de knop 3 voor de gewenste
ventilatorsnelheid (niet om "0" in te stel-
len);
– Draai aan de knop 1 voor de gewenste
temperatuur (rood gebied voor verwar-
ming en blauw gebied voor koeling);
– Draai aan de knop 5 om de verdeling te
kiezen
Voorbehandeling kan alleen worden inge-
schakeld als:
– De laadtoestand hoger is dan 30%;
– Met de motor UIT;
– Met gesloten motorkap.
Afhankelijk van de auto is thermisch
comfort (koelen, verwarmen van inte-
rieur) niet toegestaan wanneer de auto
wordt opgeladen.
3.6
(3/3)
Verdeling van de lucht in het
interieur
Draai de schakelaar 5 om uw verdeling te
kiezen.
J
De lucht wordt naar de ventilatie-
roosters in het dashboard ge-
voerd.
G
De lucht wordt naar alle ventilatie-
roosters in het dashboard en de
voetenruimtes gevoerd.
F
De lucht wordt vooral naar de voe-
tenruimtes gevoerd
i
De lucht wordt naar alle ventilatie-
rooster, de roosters van de zijrui-
ten voorin, de ontwasemingssleuven onder
de voorruit en naar de voetenruimtes ge-
voerd.
De lucht wordt met behulp van de
frisseluchtmodus naar de uit-
stroomsleuven onder de voorruit en de voor-
ste zijruiten gevoerd.
W
De lucht wordt naar de uitstroom-
sleuven onder de voorruit en de
voorste zijruiten gevoerd.
In-/uitschakelen van de
airconditioning
(afhankelijk van de auto).
De toets 2 zorgt voor het inschakelen (con-
trolelampje brandt) of het uitschakelen (con-
trolelampje is uit) van de airconditioning.
Het systeem werkt niet als de knop 3 in de
stand 0 staat.
Door het inschakelen van de airconditi-
oning:
– gaat de temperatuur in het interieur
omlaag;
– ontwasemen de ruiten snel.
De airconditioning werkt niet bij zeer lage
buitentemperaturen.