UW BANDENSPANNING
Sticker A
De bandenspanning staat vermeld op de
sticker A op de middenstijl aan bestuurders-
zijde. De bandenspanning moet worden ge-
controleerd wanneer de banden koud zijn.
Indien u de bandenspanning niet bij koude
banden kunt controleren, moet u de opge-
geven waarden met 0,2 tot 0,3 bar (3 PSI)
verhogen. Verlaag nooit de spanning van
een warme band.
Veilige montage van banden en
sneeuwkettingen: informatie over het
onderhoud en, afhankelijk van de uit-
voering van de auto, het gebruik van
sneeuwkettingen.
5.10
B
A
B: bandenmaat van de auto.
C: bandenspanning van de voorwielen.
D: bandenspanning van de achterwielen.
A
C
D
Auto met een controlesysteem voor
bandenspanning
Bij een te lage bandenspanning (lekkage,
niet goed opgepompt, enz.) verschijnt het
waarschuwingslampje
mentenpaneel
2.20
Voor uw veiligheid en voor de
naleving van de geldende wet-
geving.
Als de banden vervangen
moeten worden, mag dit alleen gebeu-
ren door even grote banden van het-
zelfde merk, met dezelfde eigenschap-
pen en met hetzelfde profiel.
Ze moeten: ten minste hetzelfde laad-
vermogen en dezelfde maximumsnel-
heid als de oorspronkelijke banden
hebben, ofwel voldoen aan de door
de merkdealer gestelde eisen.
Indien u deze instructies niet respec-
teert, kunt u uw veiligheid in gevaar
brengen en is uw auto mogelijk niet con-
form de voorschriften.
Risico op verlies van de controle over
de auto.
op het instru-
4.9