Informatie over het oplossen van problemen
Probleem
Slecht spuitpatroon.
Zie ook „Systeem draait fout" hieronder.
Het systeem draait onregelmatig.
Het ontlastventiel voor de luchttoevoer
gaat open.
Te lage stroomsnelheid.
Ontvang een verhoudingsalarm na het
opstarten in de spuitmodus terwijl het
mengspruitstuk op afstand gebruikt
wordt.
Ontvang een verhoudingsalarm bij
gebruik van het mengspruitstuk
op afstand na een significante
drukverandering.
64
Oorzaak
Vloeistofdruk te laag.
Vloeistoftemperatuur te laag.
Spuittip vuil of versleten.
Mengspruitstuk, mixer, wartel, pistool
of slangen gedeeltelijk verstopt of te
restrictief.
Luchtfilter(s) verstopt.
Luchttoevoerslangen te klein.
Luchtcompressor te klein.
Druktank voor luchttoevoer te klein.
Inlaatluchtdrukmeter gaat onder 50 psi
(0,35 MPa, 3,5 bar) tijdens het spuiten.
IJsafzetting op de luchtmotor(en) van A
en/of B.
Doseerpomp zit vast.
De luchtregelaar is te hoog afgesteld.
De luchttoevoerslang is te dun of te lang. Gebruik een luchttoevoerslang met een
Ontoereikende luchttoevoer.
Luchtdruk naar de doseerpompen te
laag.
Spuittip te klein.
Mengspruitstuk, mixer, wartel, pistool
of slangen gedeeltelijk verstopt of te
restrictief.
A- en B-slangen worden niet gevuld
om de drukverhouding tegelijkertijd te
corrigeren. Daarom neemt de spuittijd
toe om de druk in evenwicht te brengen.
Grafiek van verhoudingsscherm blijft
aan een zijde tot druk in evenwicht is.
A- en B-slangen worden niet gevuld om
de drukverhouding tegelijkertijd te
corrigeren. Daarom neemt de spuittijd
toe om de druk in evenwicht te brengen.
Grafiek van verhoudingsscherm blijft aan
een zijde tot druk in evenwicht is.
Oplossing
Verhoog de druk van de doseerpomp.
Verhoog de vloeistoftemperatuur.
Ontlast de druk. Reinig of vervang de tip.
Volg de instructies in de pistoolhandleiding.
Kijk of er uitgehard materiaal in de onder-
delen zit. Reinigen of vervangen of gebruik
grotere slangen en een groter mengappa-
raat.
Reinigen. Vervang het (de) element(en).
Vervang de slangen door slangen met de
goede maat.
Gebruik een grotere luchtcompressor.
Gebruik een grotere druktank.
Zie oplossingen hierboven voor probleem
dat systeem onregelmatig draait.
Open de afvoerluchtregeling voor ontdooi-
ing van de luchtmotor. Wacht tot het ijs is
gesmolten. Droog de perslucht. Verwarm
de perslucht. Gebruik een dunnere tip en
een lagere stroomsnelheid.
Repareer onderpomp. Zie de reparatie-
handleiding voor de XM PFP.
Verlaag de afstelling.
binnendiameter van ten minste 3/4 inch.
Zie Technische specificaties, pagina 98.
Gebruik een grotere CFM-compressor.
Verhoog de luchtdruk van de doseerpomp.
Ontlast de druk. Installeer een groter tip.
Volg de instructies in de pistoolhandleiding.
Kijk of er uitgehard materiaal in de onder-
delen zit. Reinigen of vervangen of gebruik
grotere slangen en een groter mengappa-
raat.
Breng de uitlaatslangen op druk in
de handmatige A/B-pompmodus.
Start dan de spuitmodus.
Selecteer de juiste slanggrootte om uw
volumeverhouding in evenwicht te brengen.
Zie de handleiding van het
XM PFP-mengspruitstuk.
Breng de uitlaatslangen op druk in
de handmatige A/B-pompmodus.
Start dan de spuitmodus.
Selecteer de juiste slanggrootte om uw
volumeverhouding in evenwicht te brengen.
Zie de handleiding van het
XM PFP-mengspruitstuk.
Wijzig de druk langzaam tijdens het spui-
ten.
3B0367S