Gebruik
Bedieningselementen
Het infotainmentsysteem wordt be‐
diend via functieknoppen, multifuncti‐
onele knoppen en menu's die worden
weergegeven op het display.
Invoer vindt optioneel plaats via:
■ de centrale regeleenheid in het in‐
strumentenpaneel 3 114
■ bedieningselementen op het stuur‐
wiel 3 114.
In- en uitschakelen van het
infotainmentsysteem
Druk kort op de X-knop. Na het in‐
schakelen is de laatst geselecteerde
infotainmentbron actief.
Automatische uitschakeling
Als het Infotainmentsysteem is inge‐
schakeld met de X-knop terwijl het
contact is uitgeschakeld, schakelt het
na 30 minuten automatisch weer uit.
Volume instellen
Draai de X-knop. De actuele instel‐
ling wordt weergegeven op het dis‐
play.
Wordt het infotainmentsysteem inge‐
schakeld, wordt het laatst geselec‐
teerde volume ingesteld, als dat vo‐
lume lager is dan het maximale op‐
startvolume.
Het volgende kan apart worden inge‐
steld:
■ het maximale opstartvolume
3 132
■ het volume voor verkeersberichten
3 132
■ het volume voor navigatie-instruc‐
ties (alleen Navi 600) 3 165
Automatische volumeregeling
Is de automatische volumeregeling
geactiveerd 3 132 wordt het volume
tijdens het rijden automatisch aange‐
past voor het compenseren van weg-
en windgeluiden.
Dempen
Druk op de MUTE-knop voor het
dempen van de audiobronnen.
Infotainmentsysteem
Om het dempen weer te annuleren;
de X-knop draaien of weer op de
MUTE-knop drukken.
Volumebeperking bij hoge
temperaturen
Bij erg hoge temperaturen binnen de
auto beperkt het infotainmentsys‐
teem het maximaal instelbare vo‐
lume. Indien nodig wordt het maxi‐
male volume automatisch verlaagd.
Bedieningsmodi
Radio
Druk op de BAND-knop om het hoofd‐
menu van de radio te openen of te
wisselen tussen de verschillende fre‐
quentiebereiken.
Druk op de MENU-knop om een sub‐
menu te openen voor het selecteren
van zenders.
Gedetailleerde beschrijving van de
radiofuncties 3 135.
123