De verwarming werkt pas optimaal
als de motor op bedrijfstemperatuur is
gekomen.
Luchtverdeling
Luchtrooster kiezen door het indruk‐
ken van een toets.
L = naar hoofdhoogte en voeten‐
ruimte
K = naar de voetenruimte
M = naar hoofdhoogte via de verstel‐
bare luchtroosters
J = naar de voorruit en de voeten‐
ruimte
De led in de toets geeft de geselec‐
teerde instelling aan.
Luchtdebiet
Luchtdebiet instellen door de ventila‐
torknop in de gewenste stand te zet‐
ten.
Ruiten ontwasemen en
ontdooien V
■ Toets V indrukken: aanjager
schakelt automatisch over op hoger
toerental, de luchtstroom wordt au‐
tomatisch op de voorruit gericht.
■ Koeling n inschakelen.
■ Draaiknop voor temperatuur in
hoogste stand zetten.
■ Verwarming achterruit Ü inschake‐
len.
■ Zijdelingse luchtroosters openen
naar wens en op de zijruiten rich‐
ten.
Klimaatregeling
Let op
Als de instellingen voor ontwasemen
en ontdooien zijn geselecteerd, is er
geen Autostop mogelijk.
Als de instellingen voor ontwasemen
en ontdooien zijn geselecteerd ter‐
wijl de motor in een Autostop is, zal
de motor automatisch herstarten.
Verwarmbare achterruit Ü 3 37.
Luchtrecirculatiesysteem 4
De luchtrecirculatiestand wordt in- of
uitgeschakeld met de 4-toets.
9 Waarschuwing
Door langdurig rijden in de recir‐
culatiestand kunt u slaperig wor‐
den. Schakel voor frisse lucht af
en toe de buitenluchtstand in.
Als het luchtrecirculatiesysteem is
ingeschakeld, vermindert de lucht‐
verversing. Bij het gebruik zonder
koeling neemt de luchtvochtigheid
221