■ keuzehendel in N,
■ het Traction Control-systeem of de
elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) is actief.
Opgeslagen snelheid hervatten
Draai het stelwiel naar RES/+ bij een
snelheid boven 40 km/h. De opgesla‐
gen snelheid wordt bereikt. Als het
verschil tussen de actuele snelheid
en de opgeslagen snelheid meer is
dan 40 km/h, kan de auto de opge‐
slagen snelheid niet hervatten.
Uitschakelen
Druk onderaan op tuimelschakelaar
m, controlelampje m gaat uit. De op‐
slagen snelheid wordt gewist. Het uit‐
schakelen van het contact wist ook de
opgeslagen snelheid.
Obstakeldetectiesyste‐
men
Parkeerhulp
De parkeerhulp meet de afstand tus‐
sen de auto en eventuele obstakels
erachter, wat het parkeren vergemak‐
kelijkt, en geeft geluidssignalen. De
bestuurder is en blijft echter verant‐
woordelijk bij het parkeren.
Het systeem bestaat uit vier ultra‐
soonparkeersensor in de achterbum‐
per.
Controlelamp r 3 82.
Rijden en bediening
Let op
Eventuele accessoires op de auto in
het detectiegebied kunnen een sys‐
teemstoring veroorzaken.
Activering
Wanneer u de achteruit inschakelt,
wordt het systeem automatisch geac‐
tiveerd.
Een obstakel wordt weergegeven
door geluidssignalen. De geluidssig‐
nalen volgen elkaar sneller op naar‐
mate de auto het obstakel nadert. Bij
een afstand kleiner dan 40 cm, klinkt
een onafgebroken geluidssignaal.
Deactivering
Het systeem wordt automatisch ge‐
deactiveerd, wanneer:
■ de auto sneller rijdt dan 10 km/u
■ de auto wordt geparkeerd
■ er een systeemstoring optreedt.
Storing
Bij een systeemstoring gaat r
branden.
245