Motor starten
U start de motor als volgt
(benzine)
1. Trap op het parkeerrempedaal.
2. $XWRPDWLVFKH YHUVQHOOLQJVEDN Zet de
keuzehendel in stand P of N.
+DQGJHVFKDNHOGH YHUVQHOOLQJVEDN Zet
de versnellingspook in de vrijstand en trap
het koppelingspedaal volledig in. Dit is
vooral van belang bij strenge kou.
3. Draai de contactsleutel in de startstand. Als
de motor niet binnen 5 tot 10 seconden
aanslaat, moet u de sleutel loslaten en een
nieuwe startpoging doen.
1% Tijdens de koude start kan het (afhankelijk
van de motortemperatuur) gebeuren dat het
motortoerental van bepaalde motortypes korte
tijd iets hoger is dan normaal. Dit omdat Volvo
ernaar streeft de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu door het
uitlaatgasreinigingssysteem van de motor zo
spoedig mogelijk op bedrijfstemperatuur te
brengen.
U start de motor als volgt
(diesel)
1. Trap op het parkeerrempedaal.
2. $XWRPDWLVFKH YHUVQHOOLQJVEDN Zet de
keuzehendel in stand P of N.
+DQGJHVFKDNHOGH YHUVQHOOLQJVEDN Zet
de versnellingspook in de vrijstand en trap
het koppelingspedaal volledig in. Dit is
vooral van belang bij strenge kou.
3. Draai de contactsleutel in de rijstand. Een
controlesymbool op het instrumenten-
paneel licht op om aan te geven dat de
voorgloeifunctie van de motor actief is.
Draai de sleutel in de startstand, wanneer
het controlesymbool is gedoofd.
Contactsleutels en
elektronische startblokkering
Let er bij het starten op dat er geen andere
contactsleutels met transponderchip aan
dezelfde sleutelbos hangen. Als dat wel het
geval is, kan de elektronische startblokkering
worden geactiveerd. Als dat gebeurt, moet u de
andere sleutels van de sleutelbos halen en de
motor opnieuw starten.
/DDW GH PRWRU PHWHHQ QD HHQ NRXGH VWDUW
QRRLW RS WH KRJH WRHUHQ GUDDLHQ 1HHP
FRQWDFW RS PHW GH GLFKWVWELM]LMQGH 9ROYR
ZHUNSODDWV DOV GH PRWRU QLHW DDQVODDW RI
RYHUVODDW
:$$56&+8:,1*
Schakel tijdens het rijden nooit het contact
uit (sleutel in stand 0 of 1) en neem de
contactsleutel evenmin uit het contactslot. U
loopt dan het gevaar dat het stuurslot wordt
geactiveerd, waarbij de auto onbestuurbaar
wordt.
Neem altijd de contactsleutel uit het
contactslot, wanneer u de auto verlaat – dat
geldt met name als u kinderen alleen in de
auto achterlaat.
Starten en rijden
Contact- en
stuurslot
0 – Blokkeerstand
Het stuurslot blokkeert het
stuurwiel, wanneer u de
sleutel uitneemt.
I – Tussenstand,
"radiostand"
Sommige onderdelen van het
elektrische systeem kunnen
worden ingeschakeld. Het
elektrische systeem van de
motor is echter uitgeschakeld.
II – Rijstand
De stand waarin de
contactsleutel tijdens het
rijden staat. Het complete
elektrische systeem van de
auto is ingeschakeld.
III – Startstand
De startmotor wordt
ingeschakeld. Wanneer u
nadat de motor is aangeslagen
de sleutel loslaat, veert deze
automatisch terug in de rijstand. Als het u
moeite kost om de sleutel om te draaien, kan het
zijn dat de stand van de voorwielen voor
spanningen in het stuurslot zorgt. Draai de
contactsleutel in dat geval om, terwijl u het
stuurwiel heen en weer draait.
Zorg dat het stuurwiel geblokkeerd is, wanneer
u de auto verlaat. Zo beperkt u de kans op
diefstal.
101