Controle- en waarschuwingslampjes
De controle- en waarschuwingslampjes lichten
korte tijd op, wanneer u vóór het starten de
contactsleutel in de rijstand (stand II) draait. Dit
geeft aan dat de lampjes naar behoren werken.
Wanneer de motor is aangeslagen, doven alle
lampjes weer. Als de motor niet binnen
5 seconden aanslaat, doven alle lampjes
behalve de symbolen
en
van het uitrustingsniveau van uw auto kan het
zijn dat bepaalde symbolen geen functie
vervullen. Het symbool voor de parkeerrem
dooft, wanneer u de auto van de parkeerrem
haalt.
Waarschuwingssymbool
instrumentenpaneel
Het waarschuwingssymbool knippert met een
rood of oranje licht afhankelijk van de ernst van
de geregistreerde storing.
. Afhankelijk
Rood licht:
Oranje licht:
Instrumenten, schakelaars en bediening
op
Breng de auto tot
stilstand. Lees het
bericht op het display.
Lees het bericht op het
display. Verhelp de
storing!
Storing in ABS-systeem
Als het waarschuwingssymbool voor
het ABS-systeem oplicht, werkt het
ABS-systeem niet meer. Het normale
remsysteem van de auto werkt dan nog,
zij het zonder ABS-regeling.
• Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af. Start de
motor opnieuw.
• Als het waarschuwingssymbool dooft,
kunt u verder rijden. Er was dan geen
sprake van een werkelijke storing.
• Als het waarschuwingssymbool echter
blijft branden, moet u de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
ABS-systeem te laten controleren.
Storing in remsysteem
Als het symbool voor het remsysteem
oplicht, kan het zijn dat het remvloei-
stofpeil te laag is.
• Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en controleer het peil in het
remvloeistofreservoir.
• Als het peil lager is dan het MIN-merkje
van het reservoir, kunt u beter niet verder
rijden met de auto. Laat de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats slepen om het
remsysteem te controleren.
31