Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruitenwisser/-sproeier
:HUNLQJ ZLVVHUVSURHLHUV\VWHHP YRRUUXLW
Voorruitwisser
Ruitenwissers uitgeschakeld.
Wanneer u de hendel vanuit stand 0
omhoogduwt, maken de wissers slagen
zolang u de hendel vasthoudt.
Intervalstand
U kunt de snelheid van wissers voor de
intervalstand bijstellen. Wanneer u de
ring van u af draait, neemt de frequentie
van de wisserslagen toe. Wanneer u de
ring (A op de afbeelding) naar u toe
draait, neemt de frequentie van de
wisserslagen af.
40
Regensensor (extra)
De regensensor vervangt de intervalfunctie. De
ruitenwissers gaan automatisch sneller of
langzamer slaan afhankelijk van de hoeveelheid
regen op de voorruit die de regensensor regis-
treert. 8 NXQW GH JHYRHOLJKHLG van de sensor
afstellen met behulp van de ring (zie
afbeelding) op de wisserhendel.
Doe het volgende om de regensensor te
activeren:
• Schakel het contact in.
• Duw de hendel vanuit stand 0 in de inter-
valstand.
De regensensor wordt buiten werking gesteld,
wanneer u het contact uitschakelt. Doe het
volgende om de regensensor weer in te
schakelen:
• Schakel het contact in.
• Duw de hendel in stand 0 en vervolgens
in de intervalstand.
1% In automatische wasstraten: Schakel de
regensensor uit (zet de hendel in stand 0) of
schakel het contact uit. Als u dat niet doet zal de
regensensor de ruitenwissers activeren, waarbij
deze beschadigd kunnen raken.
De wissers werken op normale snelheid.
De wissers werken op hoge snelheid.
3 – Ruitensproeier/ koplamp-
sproeier
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
Koplampsproeiers
De koplampsproeiers verbruiken grote
hoeveelheden sproeivloeistof. Om vloeistof
te besparen worden de koplampen alleen
iedere vijfde keer dat u de voorruitsproeier
activeert gesproeid (gerekend over een
periode van 2 minuten).
Wanneer er meer dan 2 minuten zijn
verstreken sinds de laatste sproeibeurt van
de voorruit, worden ook de koplampen weer
gesproeid bij het activeren van de ruiten-
sproeiers.