10
VERDERE INFORMATIE (Accessoires)
10
VERDERE INFORMATIE (Accessoires)
10 1 TOEVOEGEN OF VERWIJDEREN VAN
INRICHTINGEN
U kunt op elk gewenst moment een inrichting aan een geïnstalleerde auto-
matisering toevoegen of er een uit verwijderen. Met name op "BlueBUS"
en de ingang "STOP" kunnen verschillende soorten inrichtingen worden
aangesloten zoals in de volgende paragrafen aangegeven is.
m
Nadat er inrichtingen zijn toegevoegd of verwijderd, is
het noodzakelijk een herkenningsprocedure voor inrich-
tingen uit te voeren zoals beschreven in de paragraaf "
Herkenning van andere inrichtingen"
10 1 1 BLUEBUS
BlueBUS is een technologie waarbij het mogelijk is alle compatibele inrich-
tingen met slechts twee draden aan te sluiten, waarover zowel de elektri-
sche stroom als de communicatiesignalen lopen. Alle inrichtingen worden
parallel aangesloten op dezelfde 2 BlueBUS-draden en zonder dat daarbij
de polariteit in acht genomen moet worden; elke inrichting wordt afzonder-
lijk herkend omdat er tijdens de installatie een eenduidig adres aan wordt
toegekend.
Op BlueBUS kunnen bijvoorbeeld fotocellen, veiligheidsinrichtingen, be-
dieningsknoppen, signaleringslampjes enz. worden aangesloten. De be-
sturingseenheid herkent alle aangesloten inrichtingen één na één via een
herkenningsprocedure en is in staat om met de grootst mogelijke zeker-
heid alle eventuele storingen te detecteren.
Steeds wanneer een op BlueBUS aangesloten inrichting wordt toege-
voegd of verwijderd, dient er een herkenningsfase in de besturingseenheid
uitgevoerd te worden zoals beschreven in paragraaf "Herkenning van
andere inrichtingen".
10 1 2 INGANG STOP
STOP is de ingang die de onmiddellijke onderbreking van de manoeu-
vre veroorzaakt (met een kortstondige omkering). Op deze ingang kun-
nen inrichtingen worden aangesloten met een uitgang met normaal open
contact ("NO"), maar ook inrichtingen met een normaal gesloten contact
("NC") of inrichtingen met een uitgang met constante weerstand van 8,2
kΩ, zoals bijvoorbeeld contactlijsten.
Tijdens de aanleerfase herkent de besturingseenheid het type van de in-
richting die op de STOP-ingang is aangesloten, en later, tijdens het nor-
maal gebruik van de automatisering, geeft de besturingseenheid opdracht
om te stoppen wanneer een afwijking ten opzichte van de aangeleerde
status wordt vastgesteld.
Door het uitvoeren van de juiste handelingen kunt u op de STOP-ingang
meer dan één inrichting aansluiten, ook al zijn die niet van hetzelfde type:
– Er kunnen meerdere NO-inrichtingen parallel aan elkaar aangesloten
worden zonder beperking van het aantal daarvan.
– Er kunnen meerdere NC-inrichtingen onderling in serie aangesloten
worden zonder beperking van het aantal daarvan.
– Twee inrichtingen met een uitgang met constante weerstand van 8,2
kΩ kunnen parallel geschakeld worden; als er meer dan 2 inrichtingen
zijn, moeten alle inrichtingen via een "cascadeschakeling" op één enkele
afsluitweerstand van 8,2 kΩ aangesloten worden.
– Een combinatie van NO en NC is mogelijk door de 2 contacten parallel
te schakelen en met het NC-contact een weerstand van 8,2 kΩ in serie
te verbinden (dit maakt dus ook de combinatie van 3 inrichtingen moge-
lijk: NO, NC en 8,2 kΩ).
Als de ingang STOP gebruikt wordt om inrichtingen met een veiligheids-
functie aan te sluiten, garanderen alleen de inrichtingen met een uitgang
met een constante weerstand van 8,2 kΩ de veiligheidscategorie 3 tegen
storingen volgens de norm EN 954-1.
10 1 3 UITBREIDINGSMODULE I/O (OPTIONEEL ACCESSOIRE)
De besturingseenheid is uitgerust voor de plaatsing van diverse varianten
van I/O-uitbreidingsmodules die extra ingangen en uitgangen beschikbaar
maken. Iedere extra ingang/uitgang is individueel personaliseerbaar alsof
het een fysieke ingang/uitgang van de besturingseenheid is.
Telkens wanneer een uitbreidingsmodule wordt ingevoegd of verwijderd,
moet de procedure voor "aanleren inrichtingen" worden uitgevoerd: als
dat niet gebeurt, blijft de beweging van de motor beperkt tot "persoon
aanwezig".
m
Voor toevoeging of verwijdering van uitbreidingsmodules
moet de elektrische voeding altijd onderbroken worden
(door de zekering F2 of het eventuele batterypack te ver-
wijderen).
Om de uitbreidingsmodule toe te voegen:
1
schakel de stroom naar de besturingseenheid uit
2
verwijder de uitsparing (A)
3
plaats de uitbreidingsmodule (B) in de hiervoor bedoelde ruimte op
de elektronische printplaat van de besturingseenheid.
4
schakel de stroom naar de besturingseenheid in
5
herhaal het aanleren van de inrichtingen zoals beschreven in para-
graaf "Herkenning van andere inrichtingen".
10 1 4 UITBREIDINGSMODULE I/O (OPTIONEEL ACCESSOIRE)
61
B
a
Let op! Bij enkele modellen wordt de uitbreidingsmodule
standaard geleverd
a
Let op! Controleer het elektriciteitsverbruik van de bestu-
ringseenheid en van de uitbreidingsmodule Zorg dat het
maximaal toegestane vermogen niet wordt overschreden.
De specifieke handleiding van de uitbreidingsmodule is online beschik-
baar. Scan de QR-code van de module met de smartphone.
62
A
NEDERLANDS – 45