Algemene informatie
Het alarm gaat af, als:
•
een portier, de motorkap of het kofferdek-
sel wordt geopend;
•
een verkeerde sleutel wordt gebruikt of als
het contactslot wordt gemanipuleerd
•
er een beweging in de passagiersruimte
wordt waargenomen (als er een bewe-
gingsmelder aanwezig is);
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto's met een niveausensor*);
•
de accukabel wordt ontkoppeld;
•
iemand de sirene probeert los te koppelen.
Als er een storing in het alarmsysteem is opge-
treden, verschijnt er een melding op het infor-
matiedisplay. Neem dan contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
De bewegingsmelders laten het alarm
afgaan, wanneer er bewegingen in het inte-
rieur worden waargenomen. Het alarm kan
dan ook afgaan als u bij het parkeren van de
auto een van de zijruiten laat openstaan of
gebruik maakt van een elektrische interieur-
verwarming. Sluit daarom voordat u de auto
verlaat alle ruiten en stel de interieurverwar-
ming dusdanig in dat deze geen warme
lucht omhoogblaast.
N.B.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekerings-
voorwaarden.
Alarmindicatie
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
•
de led is uit – het alarm is uitgeschakeld
•
de led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld;
•
de led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm (tot aan het
moment dat u de transpondersleutel in het
contactslot steekt en sleutelstand I wordt
bereikt) – het alarm is afgegaan.
02 Sloten en alarm
Alarm activeren
•
Druk op de vergrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Alarm deactiveren
•
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Geactiveerd alarm uitschakelen
Druk op de ontgrendelingstoets op de trans-
pondersleutel of steek de transpondersleutel in
het contactslot.
Overige alarmfuncties
Automatische herinschakeling van het
alarm
De functie voorkomt dat u de auto verlaat zon-
der het alarm in te schakelen.
Als u geen van de portieren noch het koffer-
deksel binnen twee minuten na uitschakeling
van het alarm opent wanneer de auto met de
transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm
gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automa-
tisch opnieuw ingeschakeld. De auto wordt
bovendien opnieuw vergrendeld.
Alarmsignalen
Bij alarm gebeurt het volgende:
•
Er klinkt 30 seconden lang een sirene. De
sirene heeft zijn eigen accu die volledig
*
Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Alarm*
02
57