03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
N.B.
De regels voor het gebruik van het mistach-
terlicht verschillen van land tot land.
Alarmlichten
03
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te active-
ren. Beide richtingaanwijzersymbolen op het
instrumentenpaneel knipperen bij gebruik van
de alarmlichten.
Als de auto dermate hard wordt afgeremd dat
de noodremlichten (EBL) in werking treden,
worden zodra de snelheid van de auto tot
onder de 30 km/h is gedaald automatisch de
alarmlichten ingeschakeld. Ook nadat de auto
tot stilstand is gekomen blijven de alarmlichten
knipperen. Wanneer u weer wegrijdt worden ze
84
automatisch uitgeschakeld. U kunt ook op de
knop voor de alarmlichten drukken.
Richtingaanwijzers/knipperlichten
Richtingaanwijzers/knipperlichten.
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eerste stand en laat de hendel ver-
volgens los. De richtingaanwijzers lichten
driemaal op.
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de tweede stand.
De hendel blijft in deze stand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Richtingaanwijzersymbolen
Voor de richtingaanwijzersymbolen (zie
pagina 66).
Verlichting in interieur
Knoppen op plafondconsole voor bediening lees-
lampjes en interieurverlichting voorin
Leeslampje linkerzijde
Leeslampje rechterzijde
Interieurverlichting
Alle verlichting in het interieur kan handmatig
in- en uitgeschakeld worden binnen 30 minu-
ten nadat:
•
u de motor hebt afgezet en de transpon-
dersleutel in stand 0 staat;
•
de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.