uitgebreid worden bij een toekomstige flash-ROM-upgrade). Gebruik de
functie STO als volgt om gegevens op te slaan:
• In de Algebraic-modus:
Voer de gegevens in, druk op K, voer de naam in van de
opgeslagen gegevens via poort 3 (bijv. :3:VAR1), druk op`.
• In de RPN-modus:
Voer de gegevens in, voer de naam in van de opgeslagen gegevens
via poort 3 (bijv. :3:VAR1) druk op K.
Opmerking: Indien de naam van het object dat u wenst op te slaan
op een SD kaart langer is dan 8 karakters zal deze weergegeven
worden in 8.3 DOS formaat op poort 3 in de Filer van zodra het
object op de kaart is opgeslagen.
Gegevens oproepen van de SD-kaart
Gebruik de functie RCL als volgt om gegevens van de SD-kaart in het
scherm op te roepen:
• In de Algebraic-modus:
Druk op „©, voer de naam in van de opgeslagen gegevens via
poort 3 (bijv. :3:VAR1) druk op`.
•
In de RPN-modus:
Voer de naam in van de opgeslagen gegevens via poort 3 (bijv.
:3:VAR1), druk op „©.
Met de functie RCL is het mogelijk om variabelen weer op te roepen door
een pad in het commando te specificeren, b.v. in de RPN-modus: :3:
{path} ` RCL. Het pad, zoals in een DOS-station, is een reeks
namen van directory's die samen de plaats van de variabele in de
directory-boom bepalen. Echter, sommige variabelen opgeslagen in een
back-upobject kunnen niet worden opgeroepen door het opgeven van een
pad. In dat geval zal het volledige back-upobject moeten worden
opgeroepen (bijv. een directory) en de individuele variabelen worden
geopend op het scherm.
Opmerking: in het geval van bestanden met lange bestandnamen
kan u de volledige naam van het object of de afgekapte 8.3 naam
specificeren wanneer u een RCL commando geeft.
Blz. 18-3