Figuur 24
Bestuurdersstoel instellen
U kunt de stoel naar voren en naar achteren verschuiven.
De positie van de stoel moet zo zijn dat u de machine
het best kunt bedienen en dat u comfortabel zit.
Belangrijk: Om de bestuurdersstoel in te
stellen, moet u de instelhendel zijwaarts bewegen.
Hiermee ontgrendelt u de stoel (Figuur 25).
Verschuif de stoel in de gewenste positie en laat de
hendel los om de stoel te vergrendelen in zijn positie.
Figuur 25
1. Instelhendel
Bestuurdersstoel
ontgrendelen
Duw de stoelvergrendeling naar achteren om de stoel
te ontgrendelen. Hierdoor kunt u bij het deel van de
machine onder de stoel komen (Figuur 26).
1. Stoelvergrendeling
2. Brandstoftankdop
Machine met de hand duwen
Belangrijk: U moet de machine altijd met de
hand duwen. Slepen van de machine kan schade
aan het hydraulische systeem veroorzaken.
De machine duwen
1. Schakel de aftakas uit en draai het contactsleuteltje
op UIT. Zet de hendels in de vergrendelde
neutraalstand en stel de parkeerrem in werking.
Verwijder het sleuteltje.
2. Draai de omloopkleppen één slag naar links om de
machine te duwen. Hierdoor kan de hydraulische
vloeistof langs de pomp worden geleid zodat de
wielen kunnen draaien (Figuur 27.
Belangrijk: Draai de omloopkleppen niet meer
dan één slag. Dit voorkomt dat de kleppen uit
de behuizing vallen en de vloeistof naar buiten
stroomt.
3. Zet de parkeerrem vrij voordat u de machine gaat
duwen.
Machine in bedrijf stellen
Draai de omloopkleppen een slag naar rechts om de
machine in bedrijf te stellen (Figuur 27).
Opmerking: Draai de omloopkleppen niet te vast.
De machine zal niet rijden als de omloopkleppen niet
zijn ingedraaid.
24
Figuur 26
3. Stoel