Voor wat betreft de positie ten opzichte van het water dat gepompt moet worden, kan de installatie van het systeem "boven waterniveau" of "onder
waterniveau" worden genoemd. In het bijzonder wordt een installatie "boven waterniveau" genoemd wanneer de pomp op een niveau boven dat van
het te pompen water wordt geplaatst (bv. pomp aan het oppervlak en water in de put); omgekeerd wordt een installatie "onder waterniveau" genoemd
wanneer de pomp op een niveau onder dat van het te pompen water wordt geplaatst (bv. hangende tank en pomp eronder).
Als de verticale installatie van het systeem van het type "boven waterniveau" is, wordt aanbevolen een terugslagklep aan te brengen in
het aanzuiggedeelte van de installatie; dit om het vullen van het systeem mogelijk te maken (par. 4.1.2).
Als de installatie van het type "boven waterniveau" is, moet de aanzuigleiding vanaf de waterbron naar de pomp aflopend worden
gemonteerd, om de vorming van zwanehalzen of sifons te vermijden. Plaats de aanzuigslang niet boven pompniveau (om te voorkomen
dat er zich luchtbellen in de aanzuigslang vormen). De aanzuigslang moet aan zijn ingang op minstens 30 cm onder het waterniveau
aanzuigen, en moet over de hele lengte waterdicht zijn, tot aan de ingang van de elektropomp.
De aanzuig- en persleidingen moeten zo gemonteerd worden dat ze geen enkele mechanische druk op de pomp uitoefenen.
4.1.2 Vulwerkzaamheden Installatie boven en onder waterniveau-
Installatie "boven waterniveau" (par. 4.1.1): open de technische ruimte en verwijder de vuldop (afb.3_punt 6) met het meegeleverde gereedschap
(afb.3_punt 5) of een schroevendraaier. Vul het systeem met schoon water door de vulopening, en zorg ervoor dat de lucht naar buiten komt. Als de
terugslagklep op de aanzuigleiding (aanbevolen in par. 2.1.1) aangebracht is in de buurt van de ingangsopening van het systeem, zou de hoeveelheid
water die nodig is om het systeem te vullen 2,2 liter moeten zijn. Geadviseerd wordt de terugslagklep aan het uiteinde van de aanzuigleiding te
monteren (bodemklep), zodat ook deze helemaal kan worden gevuld bij de vulwerkzaamheden. In dit geval is de hoeveelheid water die nodig is voor
het vullen afhankelijk van de lengte van de aanzuigleiding (2,2 liter + ...).
Installatie "onder waterniveau" (par. 4.1.1): als er tussen de watervoorraad en het systeem geen afsluitkleppen aanwezig zijn (of als deze open
zijn), wordt het systeem automatisch gevuld zodra de opgesloten lucht naar buiten kan. Door de vuldop (afb.3_punt 6) dus zoveel als nodig is om de
opgesloten lucht weg te laten stromen open te draaien, wordt het systeem in staat gesteld om zich helemaal te vullen. Hierop moet worden toegezien
en de vulopening moet worden gesloten zodra het water naar buiten komt (geadviseerd wordt om een afsluitklep aan te brengen in de aanzuigleiding
en deze te gebruiken om het vullen met open dop te besturen). Een andere mogelijkheid, in het geval dat de aanzuigleiding is gesloten door een
dichte klep, is om het vullen uit te voeren zoals beschreven voor de installatie boven waterniveau.
4.2 HORIZONTALE CONFIGURATIE
Verwijder de 4 steunpootjes van het onderblad van de verpakking en schroef hen helemaal in de messing zittingen van vlak E. Stel het systeem op
de gewenste plaats op, rekening houdend met het ruimtebeslag van afb.9.
– De afstand van minstens 270 mm tussen vlak B van het systeem en een obstakel wordt aanbevolen om eventueel onderhoud te kunnen plegen
op de terugslagklep zonder het systeem te hoeven afkoppelen van de installatie.
– De afstand van minstens 200 mm tussen vlak A van het systeem en een obstakel wordt aanbevolen om het deurtje te kunnen verwijderen en
toegang te krijgen tot de technische ruimte.
–
De afstand van minstens 10 mm tussen vlak D van het systeem en een obstakel is verplicht om de voedingskabel naar buiten te laten komen
Als de ondergrond niet vlak is, moet het pootje dat geen ondersteuning heeft worden uitgeschroefd om de hoogte ervan te regelen tot hij contact
maakt met de ondergrond, zodat het systeem stabiel staat. Het systeem moet namelijk veilig en stabiel worden geplaatst, en de verticaalheid van de
as moet worden gegarandeerd: het systeem mag niet hellen.
4.2.1 Hydraulische aansluitingen
Breng de aansluiting aan de ingang van het systeem tot stand via de opening op vlak C die wordt aangeduid met "IN" op afb.9 (aanzuigingsaansluiting).
Verwijder daarna de dop met behulp van het meegeleverde gereedschap of een schroevendraaier. Breng de aansluiting aan de uitgang van het
systeem tot stand via de opening op vlak C die wordt aangegeven met "OUT 1" op afb.9 en/of via de opening op vlak D die wordt aangegeven met
"OUT 2" op afb.9 (persaansluiting). In deze configuratie kunnen de 2 openingen om het even afwisselend van elkaar (om de installatie optimaal te
NEDERLANDS
< 25 mm
200 mm
10 mm
> 25 mm
270 mm
146
Afb. 8
Afb. 9
.