De lijndruk kan veranderen bij het starten van de elektropomp. De spanning op de lijn kan veranderingen ondergaan afhankelijk van
andere inrichtingen die met de lijn verbonden zijn en de kwaliteit van de lijn zelf.
Geadviseerd wordt de installatie uit te voeren volgende aanwijzingen in de handleiding in overeenstemming met de wetten, richtlijnen en normen die
van kracht zijn op de plaats waar het apparaat wordt gebruikt, afhankelijk van de toepassing. Het product in kwestie bevat een inverter waarin continue
spanningen en stromen aanwezig zijn met hogefrequentiecomponenten (zie tabel 1).
Het apparaat moet worden verbonden met een hoofdschakelaar die alle voedingspolen verbreekt. Als de schakelaar in open stand is, moet de
scheidingsafstand van elk contact de waarde hebben die staat vermeld in tabel 2.
5.2 Configuratie van de geïntegreerde inverter
Het systeem is zo door de fabrikant geconfigureerd dat aan de meeste installatiesituaties wordt voldaan, d.w.z.:
– werking met constante druk;
– setpoint (gewenste constante drukwaarde): SP = 3.0 bar
– Verlaging van de druk voor de herstart:
– Anticyclingfunctie:
Al deze parameters kunnen hoe dan ook door de gebruiker worden ingesteld, samen met vele andere. Er zijn vele andere bedrijfswijzen en verdere
opties mogelijk. Door middel van de diverse mogelijke instellingen en de beschikbaarheid van configureerbare ingangs- en uitgangskanalen is het
mogelijk de werking van de inverter aan te passen aan de eisen van verschillende installaties. Zie par. 7-8-9.
Voor de bepaling van de parameters SP en RP heeft de druk waarbij het systeem start de volgende waarde:
Pstart = SP – RP
Voorbeeld: 3.0 – 0.3 = 2.7 bar in de standaardconfiguratie.
Het systeem functioneert niet als het gebruikspunt zich op een grotere hoogte bevindt dan het equivalent in meter-waterkolom van Pstart (neem in
aanmerking dat 1 bar = 10 mWk): voor de standaardconfiguratie geldt dat als het gebruikspunt zich op minstens 27 m hoogte bevindt, het systeem
niet start.
5.3 Vooraanzuiging
Met vooraanzuiging van een pomp wordt de fase bedoeld gedurende welke de machine probeert het huis en de aanzuigleiding te vullen met water.
Als dit goed verloopt, kan de machine naar behoren functioneren.
Nadat de pomp gevuld is (par. 4.1.2, 4.2.3) en het apparaat geconfigureerd (par. 5.2), kan de elektrische voeding worden aangesloten nadat er
minstens één gebruikspunt op het persgedeelte is geopend. Het systeem wordt ingeschakeld en controleert de aanwezigheid van water in het
persgedeelte gedurende de eerste 10 seconden. Als er een waterstroom wordt waargenomen in het persgedeelte, is de pomp volgezogen en begint
hij normaal te werken. Dit is typisch het geval van een installatie onder waterniveau (par. 4.1.2, 4.2.3). Het geopende gebruikspunt op het persgedeelte
waar nu het gepompte water naar buiten komt, kan gesloten worden.
Als na 10 seconden geen regelmatige waterstroom wordt waargenomen in het persgedeelte, vraagt het systeem bevestiging om de
vooraanzuigprocedure te beginnen (gebruikelijk geval voor installaties boven waterniveau - par 4.1.2, 4.2.3). Dit wil zeggen:
Door op "+" te drukken wordt de vooraanzuigprocedure gestart: de pomp begint te werken gedurende maximaal 5 minuten.
In deze tijd grijpt de veiligheidsblokkering voor droog lopen niet in. De vooraanzuigtijd hangt af van diverse parameters,
waarvan de diepte van het aan te zuigen water, de diameter van de aanzuigleiding, de waterdichtheid van de aanzuigleiding
de meeste invloed hebben.
Types mogelijke lekstromen naar aarde
Wisselstroom
Eenpolig, pulserend Gelijkstroom Met hogefrequentie-componenten
X
X
Min. afstand tussen de contacten van de voedingsschakelaar
Min. afstand [mm]
RP = 0.3 bar
Uitgeschakeld
NEDERLANDS
X
Afb. 12 - bis voorbeeld van de installatie
>3
148
Tabel 1
X
Tabel 2