nl
x
Fig. 15: Symbool-overzicht van de aansluitin-
gen
6.5.12
Aansluiting van een externe alarm-
melder
24 V
Fig. 16: Symbool-overzicht van de aansluitin-
gen
6.5.13
Aansluiting van een indicator van
de actuele drukwaarde (alleen
drukregeling)
0-10 V
Fig. 17: Symbool-overzicht van de aansluitin-
gen
20
Via een afzonderlijke uitgang wordt een storingsmelding per pomp (ESM) afgegeven:
•
Contacttype: potentiaalvrij verbreekcontact
•
Contactbelasting:
–
Minimaal: 12 V=, 10 mA
–
Maximaal: 250 V~, 1 A
Ter plaatse gelegde aansluitkabels door de kabelschroefverbindingen voeren en bevestigen.
Sluit de aders overeenkomstig het aansluitschema op de klemmenstrook aan. Neem het
klemnummer over van het overzicht van de aansluitingen in de afdekking. De "x" in het
symbool geeft de betreffende pomp aan:
•
1 = Pomp 1
•
2 = Pomp 2
VOORZICHTIG
Materiële schade door externe spanning!
Een aangebrachte externe spanning vernielt het onderdeel.
• Sluit geen externe spanning aan (potentiaalvrij aansluiten).
Er kan een externe alarmmelder (hoorn, knipperlicht enz.) aangesloten worden. De uitgang
wordt parallel aan de verzamelstoringsmelding (SSM) geschakeld.
•
Alarmmelder geschikt voor gelijkspanning.
•
Aangesloten vermogen: 24 V=, max. 4 VA
•
LET OP! Bij de aansluiting op de juiste polariteit letten!
•
Activeer de uitgang in menu 5.67.
Ter plaatse gelegde aansluitkabels door de kabelschroefverbindingen voeren en bevestigen.
Sluit de aders overeenkomstig het aansluitschema op de klemmenstrook aan. Neem het
klemnummer over van het overzicht van de aansluitingen in de afdekking.
VOORZICHTIG
Materiële schade door externe spanning!
Een aangebrachte externe spanning vernielt het onderdeel.
• Sluit geen externe spanning aan (potentiaalvrij aansluiten).
De werkelijke drukwaarde wordt uitgevoerd via een aparte uitgang. Aan de uitgang wordt
een spanning van 0 ... 10 V = afgegeven:
•
0 V = waarde druksensor "0"
•
10 V = druksensor-eindwaarde
Voorbeeld:
–
Meetbereik druksensor: 0 ... 16 bar
–
Weergavebereik: 0 ... 16 bar
–
Indeling: 1 V = 1,6 bar
Ter plaatse gelegde aansluitkabels door de kabelschroefverbindingen voeren en bevestigen.
Sluit de aders overeenkomstig het aansluitschema op de klemmenstrook aan. Neem het
klemnummer over van het overzicht van de aansluitingen in de afdekking.
Inbouw- en bedieningsvoorschriften • Wilo-Control EC-WP • Ed.01/2024-08