5.5 Procedure voor het vervangen van koudemiddel
1. Als de unit het koudemiddel heeft opgebruikt, dient eerst de oorzaak hiervan te worden vastgesteld voordat kan
worden begonnen met het bijvullen. Het lek moet worden opgespoord en gerepareerd. Olievlekken zijn een goede
indicatie, aangezien ze vaak ontstaan in de buurt van een lek. Dit is echter niet altijd een goede manier van zoeken.
Zoeken met water en zeep is een goede methode om gemiddelde tot grote lekken op te sporen, maar voor het
lokaliseren van kleine lekken is een speciaal elektronisch apparaat voor het opsporen van lekkage vereist.
2. Voeg koudemiddel toe aan het systeem via de onderhoudsklep op de invoerbuis of via de Schrader-klep op de
toegangsbuis van de verdamper.
3. Het koudemiddel kan worden toegevoegd onder alle belastingsomstandigheden tussen 25 en 100% van het
circuit. Oververhitting van de invoer moet tussen de 4 en 6 °C zijn.
4. Voeg genoeg koudemiddel toe om het controlelampje voor vloeistoffen helemaal te vullen en er geen bellen meer
zichtbaar zijn. Voeg nog 2 ÷ 3 kg koudemiddel toe als reserve voor de onderkoeler als de compressor draait bij
een belasting van 50 tot 100%.
5. Controleer de onderkoelingswaarde door de druk van de vloeistof te meten en de temperatuur van de vloeistof in
de buurt van de expansieklep. De onderkoelingswaarde moet tussen de 4 en 8 °C zijn en tussen de 10 en 15 °C voor
units met een economizer. De onderkoelingswaarde bevindt zich tussen 50% en 75% van de thermische belasting.
6. Bij omgevingstemperaturen boven 16 °C moeten alle ventilatoren aanstaan.
7. Overbelasting van het systeem zorgt voor een stijging van de afvoerdruk van de compressor doordat de leidingen
van de condensor overvol raken.
Inhoud koudemiddel
Vul de unit als deze stilstaat en vacuüm is (koudemiddelvulling in de vloeibare fase)
Open de klep volledig om de serviceaansluiting af te sluiten. Sluit de koudemiddelcilinder aan op de
serviceaansluiting zonder deze vast te zetten. Sluit de afsluitklep voor vloeistof voor de helft. Als het circuit
ontvochtigd en vacuüm is, laad de vloeistof dan ondersteboven in de cilinder. Weeg de juiste hoeveelheid af en voeg
deze toe. Open de klep helemaal. Start de unit en laat deze gedurende enkele minuten op volledige belasting draaien.
Controleer of de indicator helder is en vrij van bellen. Zorg dat u er zeker van bent dat de transparantie zonder bellen
door de vloeistof komt en niet het gevolg is van dampen. Voor een juiste werking van de unit moet de oververhitting
tussen de 4 en 7 °C zijn en de onderkoeling tussen de 4 - 8 °C. Te hoge oververhittingswaarden kunnen worden
veroorzaakt door een tekort aan koudemiddel, terwijl te hoge waarden voor onderkoeling kunnen wijzen op een
teveel.
Na het wijzigen van de hoeveelheid moet u controleren of de unit werkt binnen de opgegeven waarden: meet bij
volle belasting de temperatuur van de invoerbuis stroomafwaarts van de knop van de thermostaatklep en lees
de evenwichtsdruk van de verdamper op de lagedrukmeter en de bijbehorende verzadigingstemperatuur.
De oververhitting is gelijk aan het verschil tussen de gemeten temperaturen. Meet vervolgens de temperatuur
van de vloeistofbuis uit de condensor en lees van de hogedrukmeter de evenwichtsdruk af van de condensor en
de bijbehorende verzadigingstemperatuur. De onderkoeling is het verschil tussen deze temperaturen. Koudemiddel
is in de vloeibare fase.
HR-poort
LP-poort
HP-meter
LP-meter
Meterspruitstuk
CG-SVX042C-NL
Controles voorafgaande aan inbedrijfstelling
Vloeistofpeilglas
Schaal
61