9. Bedrijfsomstandigheden
9.1 Maximaal aantal in- en uitschakelingen
Het aantal in- en uitschakelingen via de voeding mag
niet meer dan vier per uur bedragen.
Wanneer de pomp via de voeding wordt
ingeschakeld, dan zal deze na ca. 5 seconden
starten.
Als een hoger aantal in- en uitschakelingen gewenst
is, gebruikt u de externe start/stop-ingang bij het in- of
uitschakelen van de pomp.
Wanneer de pomp via een externe aan/uit-schakelaar
wordt ingeschakeld, start deze meteen.
9.2 Afwisselend bedrijf van dubbelpompen
Bij dubbelpompen dienen de bedrijfs- en
reservepomp regelmatig te worden afgewisseld,
bijvoorbeeld eenmaal per week, voor een gelijkmatige
verdeling van het aantal bedrijfsuren over beide
pompen. De pompen wisselen automatisch. Zie
paragraaf "Multipomp instelling" (Setup of multi-pump
system).
Als dubbelpompen worden gebruikt voor het
verpompen van warm huishoudelijk water, moeten
de bedrijfs- en reservepomp regelmatig worden
afgewisseld, bijvoorbeeld eenmaal per dag, om
blokkering van de reservepomp ten gevolge van
bezinkselen (zoals kalkafzettingen) te vermijden.
De pompen wisselen automatisch. Zie paragraaf
"Multipomp instelling" (Setup of multi-pump system).
Als dubbelpompen worden afgewisseld
met een externe regelaar, wordt
aanbevolen de pompen minimaal elke 24
uur af te wisselen om vastlopen van de
asafdichtingen te voorkomen.
Gerelateerde informatie
12.28.26 Multipompfunctie
9.3 Vloeistoftemperatuur
-25 °C (~ -13 °F) tot +140 °C (~ +284 °F).
De maximale vloeistoftemperatuur hangt af van het
type asafdichting en het pomptype.
Afhankelijk van de gietijzeren uitvoering
en de pomptoepassing kan de maximale
vloeistoftemperatuur beperkt zijn door plaatselijke
wet- en regelgeving.
De maximale vloeistoftemperatuur staat vermeld op
het typeplaatje van de pomp.
Als de pomp wordt gebruikt voor
vloeistoffen met een hoge temperatuur,
kan de levensduur van de asafdichting
afnemen.
9.4 Omgevingstemperatuur
9.4.1 Omgevingstemperatuur tijdens opslag en
transport
Minimum: -30 °C.
Maximum: 60 °C.
9.4.2 Omgevingstemperatuur tijdens bedrijf
3 x 200-240 V
Minimum
-20 °C
Maximum
40 °C
De motor kan werken met het nominale
uitgangsvermogen, P2, bij 50°C, maar continu bedrijf
bij hogere temperaturen zal de verwachte levensduur
verminderen. Als de motor moet werken bij een
omgevingstemperatuur tussen 50 en 60°C, moet een
grotere motor worden gekozen. Neem contact op met
Grundfos voor meer informatie.
9.5 Bedrijfsdruk of testdruk
De druktest is uitgevoerd met water met anti-
corrosieve toevoegingen bij een temperatuur van 20
°C.
Bedrijfsdruk
Druktrap
[bar]
PN 6
6
PN 6 / PN 10
10
PN 16
16
9.6 Voordruk
Teneinde een optimale en stille werking van de
pomp te waarborgen, moeten de inlaatdruk en de
systeemdruk correct worden afgesteld. Zie de tabel
in de bijlage.
Voor de berekening van de specifieke voordruk
neemt u contact op met Grundfos of raadpleegt u
het boekje voor de TP, TPD, TPE, TPED, TPE2,TPE2
D, TPE3 en TPE3 D in het Grundfos Product Center
(https://product-selection.grundfos.com/).
9.7 Elektrische gegevens
Zie de paragraaf Technische gegevens.
Voor specifieke motorgegevens raadpleegt u het
typeplaatje van de motor.
9.8 Geluidsbelasting
Zie paragraaf Geluidsbelasting
9.9 Milieu
Niet-agressieve en niet-explosief atmosfeer.
3 x 380-500 V
-20 °C
50 °C
Testdruk
[MPa]
[bar]
[MPa]
0,6
10
1,0
1,0
15
1,5
1,6
24
2,4
43