Grundfos NB-handleiding

Inhoud

Grundfos NB-pompafbeelding

Algemene informatie

Lees dit document voordat u het product installeert. Installatie en bediening moeten voldoen aan de lokale regelgeving en de algemeen aanvaarde normen voor goede praktijken.

Gevaaraanduidingen

De onderstaande symbolen en gevaaraanduidingen kunnen voorkomen in de installatie- en bedieningsinstructies, veiligheidsinstructies en service-instructies van Grundfos.

Geeft een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, de dood of ernstig persoonlijk letsel tot gevolg zal hebben.

Geeft een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, de dood of ernstig persoonlijk letsel tot gevolg kan hebben.

Geeft een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, licht of matig persoonlijk letsel tot gevolg kan hebben.
De gevaaraanduidingen zijn als volgt opgebouwd:
waarschuwingSIGNAALWOORD
Beschrijving van het gevaar

Gevolg van het negeren van de waarschuwing

  • Actie om het gevaar te vermijden.

Opmerkingen

De onderstaande symbolen en opmerkingen kunnen voorkomen in de installatie- en bedieningsinstructies, veiligheidsinstructies en service-instructies van Grundfos.

Neem deze instructies in acht voor explosieveilige producten.
waarschuwing Een blauwe of grijze cirkel met een wit grafisch symbool geeft aan dat er een actie moet worden ondernomen.
Een rode of grijze cirkel met een diagonale balk, mogelijk met een zwart grafisch symbool, geeft aan dat een actie niet mag worden ondernomen of moet worden gestopt.
voorzichtig Als deze instructies niet worden opgevolgd, kan dit leiden tot een storing of schade aan de apparatuur.
informatie Tips en advies die het werk gemakkelijker maken.

Doelgroep

Deze installatie- en bedieningsinstructies zijn bedoeld voor professionele installateurs en voor de gebruikers van het product.
Wij raden aan de installatie te laten uitvoeren door vakbekwaam personeel met de technische kwalificaties die vereist zijn volgens de geldende wetgeving.

Productintroductie

Productbeschrijving

Het product is een niet-zelfaanzuigende, eentraps, centrifugaal slakkenhuispomp met axiale inlaatpoort en radiale uitlaatpoort.

Verpompte vloeistoffen

Verpompte vloeistoffen moeten schoon, dun, niet-explosief en zonder deeltjes of vezels zijn. De verpompte vloeistof mag de pompmaterialen niet chemisch aantasten.

Identificatie

Naamplaatje
Identificatie - Naamplaatje

Voorbeeld van NB-naamplaatje

Pos. Beschrijving
1 Typeaanduiding
2 Productnummer en serienummer van de productie
3 Debiet
4 Opvoerhoogte
5 Productiecode
6 Druk en temperatuur
7 Pomptoerental
8 Waaierdiameter
9 PEI CL: Pompenergie-index, constante belasting
PEI VL: Pompenergie-index, variabele belasting
10 Plaats van productie
11 Veld voor keurmerken en bijbehorende teksten
12 Bereikaanduiding (onderhoudsbereikcode)

Typesleutel, NB
Voorbeeld 1: NB 025-095/08.43AAEG6S3ESBQQETX2
Voorbeeld 2: NB 040-150/16.77AFEG7TBESDQQE1X4
Voorbeeld 3: NB 060-135/12.91-12.76AAEG7TBESDQQEWX4

Pos. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17
Voorbeeld 1 NB 025 -095 /08.43 A A2 G 6 S3 E S BQQE T X 2
Voorbeeld 2 NB 040 -150 /16.77 A Y1 G 7 TA E S DQQE 1 X 4
Voorbeeld 3 NB 060 -135 /12.91-12.76 A AE G 7 TA E S DQQE W X 4
Pos. Uitleg
1 Typebereik
2 Nominale diameter van de uitlaatpoort (DN)
3 Nominale waaierdiameter [inch]
4 Werkelijke waaierdiameter [inch]
5 Waaier type 'leeg':
Gesloten waaier, cilindrische afwerking. Als er één afmeting wordt weergegeven, heeft de waaier een cilindrische afwerking, bijvoorbeeld 16.77 'leeg': Gesloten waaier, conische afwerking. Als er twee afmetingen worden weergegeven, heeft de waaier een conische afwerking, bijvoorbeeld 12.91-12.76
S: Speciale open waaier
V: Super vortex-waaier
6 Hydraulische versie
  1. 1e versie
  2. 2e versie
  3. 3e versie
  4. 4e versie
7 Sensor-/motorversie 'leeg': Pomp zonder sensor
C: Zonder ingebouwde sensor, één kabel en één druksensor worden meegeleverd met de pomp
S: Pomp met ingebouwde verschildruksensor, Serie 2000
G: Niet -E-pomp/ -E-pomp met semi-geïntegreerde VFD/CUE: Motor met aardingsring: Niet-aangedreven uiteinde
H: Niet -E-pomp/ -E-pomp met semi-geïntegreerde VFD/CUE: Motor met hybride lager (HYB): Niet-aangedreven uiteinde
I: Niet -E-pomp/ -E-pomp met semi-geïntegreerde VFD/CUE: Motor met geïsoleerd lager: Niet-aangedreven uiteinde
8 Code voor pompversie; de codes kunnen worden gecombineerd
A: Basisversie
B: Extra grote motor
C: Zonder motor
(+E): Met ATEX-keurmerk, certificaat of testrapport, het tweede teken van de code voor de pompversie is een E
F: Ontwerp met basisframe
(+S): Met steunrails, het tweede teken van de pompversiecode is een S
X: Speciale versie; gebruikt in geval van verdere aanpassing dan al vermeld
9 Pijpaansluiting
G: ANSI-flens
10 Flensdrukklasse (PN - nominale druk)
5: Andere drukklasse
6: Klasse 125, 174 PSI
7: Klasse 300, 363 PSI
Pos. Uitleg
11 Code voor materialen
Code Pomphuis Waaier Slijtring As
S2 A48 Klasse 35 304 Geen slijtring 420
S3 A48 Klasse 35 304 Geen slijtring 304
S4 A48 Klasse 35 304 Geen slijtring 316
S5 A48 Klasse 35 304 Geen slijtring SAF 2205
S8 A48 Klasse 35 316 Geen slijtring 316
S9 A48 Klasse 35 316 Geen slijtring SAF 2205
SA 70-50-05 304 Geen slijtring 420
SB 70-50-05 304 Geen slijtring 304
SC 70-50-05 304 Geen slijtring 316
SD 70-50-05 304 Geen slijtring SAF 2205
SG 70-50-05 316 Geen slijtring 316
SH 70-50-05 316 Geen slijtring SAF 2205
T2 A48 Klasse 35 CD4MCuN/A890 Geen slijtring SAF 2205
TA 70-50-05 CD4MCuN/A890 Geen slijtring SAF 2205
X Speciale versie
12 Rubberen onderdelen in de pomp
E: EPDM
F: FXM (Fluoraz ® )
K: FFKM (Kalrez ® )
M: FEPS (PTFE-omhulde siliconen O-ring)
O: HNBR
V: FKM (Viton® )
13 Asafdichting
S: Enkele afdichting
14 Asafdichting in pomp
Lettercode voor mechanische asafdichting en rubberen onderdelen van de asafdichting. Zie Lettercodes voor asafdichtingen.
15 Code voor nominaal motorvermogen [kW]. Zie Codes voor nominaal motorvermogen.
16 Code voor fase en spanning [V] of andere informatie. Zie Codes voor fase en spanning of andere informatie.
17 Code voor toerentalvariant [rpm]. Zie Codes voor toerentalvariant.

Voorbeeld 1: NB 025-095/08.43AA2G6S3ESBQQETX2 toont een NB 025-095-pomp met deze kenmerken:

  • 08.43 inch gesloten waaier, cilindrische afwerking
  • hydraulische versie A
  • pomp zonder sensor
  • vetgesmeerd standaard lagerontwerp
  • afstandskoppeling
  • ANSI-flens naar ASME/ANSI B16.1
  • Klasse 125, 174 PSI
  • pomphuis van gietijzer, A48 Klasse 35
  • roestvrijstalen waaier, 304
  • geen slijtring
  • as, 304
  • EPDM O-ringen voor pompdeksel en afdichtingsdeksel
  • enkele asafdichting
  • BQQE-asafdichting
  • 60 HP motor, US DOE-gereguleerde motor, 2-polig, 60 Hz.

Voorbeeld 2: NB 060-135/12.91-12.76AAEG7TAESDQQEWX4 toont een NB 060-135-pomp met deze kenmerken:

  • 12.91-12.67 inch gesloten waaier, conische afwerking
  • hydraulische versie A
  • pomp zonder sensor
  • vetgesmeerd heavy-duty lagerontwerp
  • met certificaat/rapport
  • ANSI-flens naar ASME/ANSI B16.1
  • Klasse 300, 363 PSI
  • pomphuis van nodulair gietijzer, ASTM 70-50-05
  • CD4MCuN/A890-waaier
  • geen slijtring
  • as, 2205
  • EPDM O-ringen voor pompdeksel en afdichtingsdeksel
  • enkele asafdichting
  • DQQE-asafdichting
  • 125 HP motor, US DOE-gereguleerde motor, 4-polig, 60 Hz.

Lettercodes voor asafdichtingen
Pos. 14 in NB-type sleutelvoorbeeld.

Code Beschrijving Uitleg
B Type asafdichting A: O-ringafdichting met vaste aandrijving
B: Rubber balgafdichting
D: O-ringafdichting, gebalanceerd
H: Cartridgeafdichting, gebalanceerd
Q Materiaal van roterend afdichtingsvlak A: Koolstof, metaal-geïmpregneerd met antimoon, dat niet is goedgekeurd voor drinkwater
B: Koolstof, hars-geïmpregneerd
Q: Siliciumcarbide
Q Materiaal van stationaire afdichting A: Koolstof, metaal-geïmpregneerd met antimoon, dat niet is goedgekeurd voor drinkwater
Q: Siliciumcarbide
E Materiaal van secundaire afdichting en andere rubber en composiet onderdelen, behalve de slijtring E: EPDM
V: FKM (Viton ®)
F: FXM (Fluoraz ®)
K: FFKM (Kalrez ®)
X: HNBR
U: Dynamische O-ringen in FFKM en statische O-ringen in PTFE

Codes voor nominaal motorvermogen
Pos. 15 in NB-type sleutelvoorbeeld.

Code Beschrijving
[hp] [kW]
A 0.16 0.12
B 0.25 0.18
C 0.33 0.25
D 0.5 0.37
E 0.75 0.55
F 1 0.75
G 1.5 1.1
H 2 1.5
I 3 2.2
J 4 3
K (5.5 [1])) 3.7 (41))
L 7.5 5.5
M 10 7.5
N 15 11
O 20 15
P 25 18.5
Q 30 22
R 40 30
S 50 37
T 60 45
U 75 55
V 100 75
W 125 90
X Pomp met blote as
Y > 200 [2]) > 1502)
1 150 110
2 175 132
3 200 150
4 [3]) 1603)
5 2503) 1853)
6 26

1) De waarde tussen haakjes is voor de standaard IEC-motorgrootte. De waarde buiten haakjes is voor de motorgrootte volgens de NEMA-normen.
2) Gebruikt voor pompen waarbij het ingangsvermogen van de pompas hoger is dan 200 pk (150 kW) en niet wordt gereguleerd onder de DOE-pompvoorschriften.
3) Speciale gevallen met vermogens boven 200 pk (150 kW) die nog steeds worden gereguleerd onder de DOE-pompvoorschriften. Bijvoorbeeld: Pomp heeft een P2-waarde van 198 pk (147,6 kW) in zijn bedrijfspunt (in DOE-bereik), maar de klant wil de 215 pk (160 kW) motor in plaats van de 200 pk (150 kW). De pomp valt onder de DOE-regelgeving en vereist een PEI-waarde en een motorcode.

Codes voor fase en spanning of andere informatie
Pos. 16 in NB-type sleutelvoorbeeld.

Code Beschrijving
A E-motor (ECM 4)), 1 x 200-240 V
B E-motor (ECM4)), 3 x 200-240 V
C E-motor (ECM4)), 3 x 440-480 V
D E-motor (ECM4)), 3 x 380-500 V
W Niet te koop in Noord-Amerika
X Geen motor of US DOE gereguleerde motor (CC gemarkeerde motor)
Y Valt buiten het DOE-bereik
Z E-motor, asynchrone motor

4) ECM: Electronically Commutated Motor (elektronisch gecommuteerde motor).

Codes voor snelheidsvariant
Pos. 17 in NB-type sleutelvoorbeeld.

Code Omschrijving
A 1450-2200 RPM, E-motor (ECM 5))
B 2900-4000 RPM, E-motor (ECM5))
C 4000-5900 RPM, E-motor (ECM5))
1 2-polig, 50 Hz (Asynchrone motor)
2 2-polig, 60 Hz (Asynchrone motor)
3 4-polig, 50 Hz (Asynchrone motor)
4 4-polig, 60 Hz (Asynchrone motor)
5 6-polig, 50 Hz (Asynchrone motor)
6 6-polig, 60 Hz (Asynchrone motor)
7 8-polig, 50 Hz (Asynchrone motor)
8 8-polig, 60 Hz (Asynchrone motor)

5) ECM: Elektronisch gecommuteerde motor.

Het product ontvangen

Prestatietest

De pompen worden niet getest op prestaties voordat ze de fabriek verlaten, tenzij dit specifiek is besteld.

Het product transporteren

waarschuwing

Bovenbelasting
Dood of ernstig persoonlijk letsel

  • Let op het gewicht van de pomp en neem voorzorgsmaatregelen om persoonlijk letsel te voorkomen als de pomp per ongeluk omvalt of valt.
    • Transporteer de pomp altijd in de aangegeven positie.
    • Maak de pomp goed vast om schade aan de as en de asafdichting te voorkomen, veroorzaakt door overmatige trillingen en stoten.
    • Til de pomp niet aan de as op.

Het product inspecteren

  • Controleer of het ontvangen product overeenkomt met de bestelling.
  • Controleer of de spanning, fase en frequentie van het product overeenkomen met de spanning, fase en frequentie van de installatieplaats. Zie Identificatie.
  • Controleer het product direct na ontvangst op defecten of beschadigingen. Alle bestelde accessoires worden in een aparte container verpakt en samen met het product verzonden.
  • Als er tijdens het transport schade aan de apparatuur is ontstaan, meld dit dan onmiddellijk aan de vertegenwoordiger van de vervoerder. Maak volledige aantekeningen op de vrachtbrief.

Opslag na levering

De aannemer moet de apparatuur bij levering inspecteren en ervoor zorgen dat deze zo wordt opgeslagen dat corrosie of schade wordt voorkomen. Zie Het product opslaan.

Het product installeren

Montage van motor op pompen met kale as

Montage van motor op pomphuis zonder voet
De pompen worden geleverd met een transportbeugel die de asafdichting tijdens het transport beschermt. Wanneer u de motor monteert, volgt u de onderstaande instructies en tekeningen.

  1. Verwijder de koppelingsbeschermer en draai de stelschroeven in de as los.
  2. Plaats de pomp op de motor.
  3. Plaats en draai de motorschoeven vast met het juiste aanhaalmoment. Zie hieronder.
    • M8: 20 ± 4 Nm
    • M10: 40 ± 8 Nm
    • M12: 70 ± 15 Nm
    • M16: 145 ± 30 Nm
    • M20: 150 ± 30 Nm
    • M24: 200 ± 40 Nm
  1. Verwijder de moer, sluitring en transportbeugel.
  2. Druk de schroefdraadpijp naar beneden om ervoor te zorgen dat de as zich in de onderste positie bevindt.
  3. Verwijder de schroefdraadpijp.
  4. Breng Loctite 243 aan op de schroefdraad van de stelschroeven. Draai de stelschroeven vast met het juiste aanhaalmoment.
    • M5: 6 ± 2 Nm
    • M6: 8 ± 2 Nm
    • M8: 15 ± 3 Nm
  1. Plaats de koppelingsbeschermer. Draai de schroeven vast met het juiste aanhaalmoment.
    • M5 x 10 mm: 6 ± 2 Nm

Montage van motor op pomphuis met voet
De pompen worden geleverd met een transportbeugel die de asafdichting tijdens het transport beschermt. Wanneer u de motor monteert, volgt u de onderstaande instructies en tekeningen.

  1. Verwijder de koppelingsbeschermer en draai de stelschroeven in de as los.
  2. Plaats de pomp aan het uiteinde van de motor en duw de onderdelen in elkaar.
  1. Plaats en draai de motorschoeven vast met het juiste aanhaalmoment. Zie hieronder.
    • M8: 20 ± 4 Nm
    • M10: 40 ± 8 Nm
    • M12: 70 ± 15 Nm
    • M16: 145 ± 30 Nm
    • M20: 150 ± 30 Nm
    • M24: 200 ± 40 Nm
  2. Verwijder de moer, sluitring en transportbeugel.
  3. Druk de schroefdraadpijp naar beneden om ervoor te zorgen dat de as zich in de onderste positie bevindt.
  4. Verwijder de schroefdraadpijp.
  1. Breng Loctite 243 aan op de schroefdraad van de stelschroeven. Draai de stelschroeven vast met het juiste aanhaalmoment. Zie hieronder.
    • M5: 6 ± 2 Nm
    • M6: 8 ± 2 Nm
    • M8: 15 ± 3 Nm
  2. Plaats de koppelingsbeschermer. Draai de schroeven vast met het juiste aanhaalmoment. Zie hieronder.
    • M5 x 10 mm: 6 ± 2 Nm

Locatie

voorzichtig
brandgevaar
Heet of koud oppervlak
Licht of matig persoonlijk letsel

  • Wanneer u hete of koude vloeistoffen verpompt, zorg er dan voor dat niemand per ongeluk in contact kan komen met hete of koude oppervlakken.
    De pomp moet op een goed geventileerde, maar vorstvrije locatie worden geplaatst.

Verticale installatie, NB
informatieVoor inspectie en reparatie dient u voldoende ruimte vrij te houden voor het verwijderen van de pomp of motor.

  • Pompen die zijn uitgerust met motoren tot en met 5 pk (4 kW) hebben een vrije ruimte van 30 cm (12 inch) boven de motor nodig.
  • Pompen die zijn uitgerust met motoren van 7,5 pk (5,5 kW) en hoger hebben minstens een vrije ruimte van 1 m (40 inch) boven de motor nodig om het gebruik van hefapparatuur mogelijk te maken.


Ruimte boven de motor

Motor Minimale vrije ruimte, A
0,33 - 5 pk (0,25 -4 kW) 30 cm (12 inch)
7,5 - 50 pk (5,5 -37 kW) 1 m (40 inch)

Horizontale installatie, NB
informatieVoor inspectie en reparatie dient u voldoende ruimte vrij te houden voor het verwijderen van de pomp of motor.

  • Pompen die zijn uitgerust met motoren tot en met 5 pk (4 kW) hebben een vrije ruimte van 30 cm (12 inch) achter de motor nodig.
  • Pompen die zijn uitgerust met motoren van 7,5 pk (5,5 kW) en hoger hebben een vrije ruimte van 30 cm (12 inch) achter de motor en minstens een vrije ruimte van 1 m (40 inch) boven de motor nodig om het gebruik van hefapparatuur mogelijk te maken.
  • NB-pompen met basisframe moeten dezelfde vrije ruimte hebben als pompen met motoren van 7,5 tot 268 pk (5,5 tot 200 kW).


Ruimte achter de motor

Motor Minimale vrije ruimte, A
0,33 - 5 pk (0,25 -4 kW) 30 cm (12 inch)


Ruimte achter en boven de motor

Motor Minimale vrije ruimte
A B
7,5 - 268 pk (5,5 - 200 kW) 30 cm (12 inch) 1 m (40 inch)

Mechanische installatie

waarschuwingDe pomp moet worden geïnstalleerd volgens de nationale waterregelgeving en -normen.

Het product optillen

Motoren vanaf 5 pk (4 kW) en hoger worden geleverd met hijsogen die niet mogen worden gebruikt voor het optillen van de gehele pompeenheid.
Gewicht: zie het etiket op de verpakking.
Til de pompen op met behulp van nylon banden en sluitingen of een haak, zoals weergegeven in de onderstaande figuren.


Correct optillen van pomp zonder basisframe


Correct optillen van pomp met basisframe


Correct optillen van pomp zonder motor


Onjuist optillen van pomp

Installatieposities

Pijlen op het pomphuis geven de richting van de vloeistofstroom door de pomp aan.
De pompen kunnen worden geïnstalleerd met de motor- en pompas in alle posities tussen verticaal en horizontaal, maar de motor mag nooit onder het horizontale vlak komen te liggen.
Horizontale motoren met voeten moeten altijd worden ondersteund.

Installatieposities

A: 0.33 - 50 pk (0.25 - 37 kW)
B: 0.33 - 268 pk (0.25 - 200 kW)

Plaats afsluiters aan beide zijden van de pomp, zodat het niet nodig is om het systeem af te tappen als de pomp moet worden gereinigd of gerepareerd.

Fundering van NB-pomp zonder basisframe

waarschuwingNiet-naleving kan leiden tot functionele storingen die de pompcomponenten beschadigen.
Neem de volgende eisen in acht bij het voorbereiden van de fundering:

  • Wij raden u aan de pomp te installeren op een vlakke en stijve betonnen fundering die zwaar genoeg is om permanente ondersteuning te bieden aan de gehele pomp.
  • De fundering moet in staat zijn om trillingen, normale spanning of schokken te absorberen.
  • Idealiter moet het gewicht van de betonnen fundering minstens 1,5 keer het gewicht van de pomp zijn.
  • De betonnen fundering moet een absoluut vlak en egaal oppervlak hebben.
  • De lengte en breedte van de fundering moeten altijd 8 inch (200 mm) groter zijn dan de lengte en breedte van de pomp. Zie de onderstaande afbeelding.
    Fundering
  • De minimumhoogte van de fundering, aangegeven met hf, kan vervolgens worden berekend met de volgende formule:
hf Hoogte van de fundering [in] ([m])
Lf Lengte van de fundering [in] ([m])
Bf Breedte van de fundering [in] ([m])
mpump Massa van de pomp [lbs] ([kg])
δconcrete Dichtheid van het beton [lb/in3] ([kg/m3])

waarschuwingDe dichtheid van beton, aangegeven met δ, wordt meestal genomen als 0,08 lb/in3 (2.200 kg/m3)

  • In installaties waar een geruisloze werking bijzonder belangrijk is, raden wij een fundering aan met een massa tot 5 keer die van de pomp. Zie ook Trillingsdemping.

waarschuwingNadat de installatie is voltooid, draait u de schroeven waarmee de flens, de voeten en de ankerbouten zijn verbonden, vast volgens de aanhaalkoppels. U moet een anti-losse methode toepassen, zoals het monteren van borgringen.

Fundering van NB-pomp met basisframe

waarschuwingNiet-naleving kan leiden tot functionele storingen die de pompcomponenten beschadigen.
Neem de volgende eisen in acht bij het voorbereiden van de fundering:

  • Wij raden u aan de pomp te installeren op een vlakke en stijve betonnen fundering die zwaar genoeg is om permanente ondersteuning te bieden aan de gehele pomp.
  • De fundering moet in staat zijn om trillingen, normale spanning of schokken te absorberen.
  • Idealiter moet het gewicht van de betonnen fundering minstens 1,5 keer het gewicht van de pomp zijn.
  • De fundering moet aan alle vier de zijden 4 inch (100 mm) groter zijn dan het basisframe. Zie de onderstaande afbeelding.
    Fundering, X is gelijk aan minimaal 4 inch (100 mm) l
  • De minimumhoogte van de fundering, hf, kan vervolgens worden berekend met de volgende formule:
hf Hoogte van de fundering [in] ([m])
Lf Lengte van de fundering [in] ([m])
Bf Breedte van de fundering [in] ([m])
mpump Massa van de pomp [lbs] ([kg])
δconcrete Dichtheid van het beton [lb/in3] ([kg/m3])

waarschuwingDe dichtheid van beton, aangegeven met δ, wordt meestal genomen als 0,08 lb/in3 (2.200 kg/m3)

  • Plaats de pomp op de fundering en bevestig deze. Het basisframe moet over het gehele oppervlak worden ondersteund. Zie de onderstaande figuren.
    Correcte fundering

    Onjuiste fundering

    Basisframe met gietgaten
  • Het is belangrijk om een goede fundering voor te bereiden voordat de pomp wordt geïnstalleerd.

De fundering voorbereiden

informatie Neem contact op met uw betonleverancier voor advies als u twijfelt.
Volg de onderstaande stappen om een goede fundering te garanderen:

  1. Gebruik een goedgekeurd, niet-krimpende beton.
  2. Giet de fundering zonder onderbrekingen tot binnen 0,75 - 1,25 inch (19-32 mm) van het uiteindelijke niveau.
  3. Gebruik vibrators om ervoor te zorgen dat het beton gelijkmatig wordt verdeeld.
  4. Sluit ankerbouten in het beton.
  5. Laat voldoende boutlengte over om door de grout, vulplaten, het onderste deel van het basisframe, de moeren en de ringen te reiken. Zie de onderstaande afbeelding.
    Pos. Beschrijving
    1 Boutlengte boven de steunrail
    2 Dikte van de steunrail
    3 19-32 mm (0,75 - 1,25 inch) speling voor grout
    4 Ring
    5 Nok
    6 Pijpmof
    7 Fundering met ruwe bovenkant
    8 Wiggen en vulplaten op hun plaats gelaten
    9 Steunrail
    10 5-10 mm (0,2 - 0,4 inch)
  6. Laat de fundering enkele dagen uitharden voordat u het basisframe waterpas zet en voegt.

Het product waterpas zetten

Het product waterpas zetten zonder basisframe

  1. Zet de pompas en de flenzen waterpas met behulp van een waterpas en stel de spieën of vulplaten naar behoefte af.
    Waterpas zetten zonder basisframe
  2. Draai de ankerboutmoeren vast. Zorg ervoor dat de leidingen kunnen worden uitgelijnd met de pompflenzen zonder de leidingen of de flenzen te belasten.

Het product waterpas zetten met basisframe
Volg de onderstaande stappen om het basisframe waterpas te zetten:

  1. Til of krik het basisframe op tot het uiteindelijke niveau 19-32 mm (0,75 - 1,26 inch) boven de betonnen fundering en ondersteun het basisframe door middel van blokken en vulplaten, zowel bij de ankerbouten als halverwege tussen de bouten.
    19-32 mm (0,75 - 1,26 inch).
    Het frame waterpas zetten met behulp van blokken en vulplaten
  2. Zet het basisframe waterpas door vulplaten onder het basisframe toe te voegen of te verwijderen.
    Het basisframe waterpas zetten
  3. Draai de ankerboutmoeren tegen het basisframe vast.
  4. Zorg ervoor dat de leidingen kunnen worden uitgelijnd met de pompflenzen zonder de leidingen of flenzen te belasten.

Gieten

informatieNeem contact op met een expert op het gebied van gieten als u vragen of twijfels hebt over het gieten.
Breng indien nodig gietmortel aan. NB pompen hoeven niet te worden gegoten om de asuitlijning te behouden, maar gieten verhoogt de pompstabiliteit binnen het leidingsysteem. Gieten compenseert een oneffen fundering, verdeelt het gewicht van de unit, dempt trillingen en voorkomt verschuiving. Volg de onderstaande stappen om het gieten uit te voeren.

  1. Gebruik een goedgekeurde, niet-krimpende gietmortel.
  2. Breng wapeningsstaven in de fundering aan met behulp van 2K-ankerlijm.
  3. Het aantal stalen staven is afhankelijk van de grootte van het basisframe, maar we raden aan om minimaal 20 staven gelijkmatig over het hele gebied van het basisframe te verdelen.
    Voorbeeld van fundering met minimaal 20 staven
    Voorbeeld van fundering met minimaal 20 staven
  4. Het vrije uiteinde van de stalen staaf moet 2/3 van de hoogte van het basisframe zijn om een goede gieting te garanderen.
    Het vrije uiteinde van de stalen staaf moet 2/3 van de hoogte van het basisframe zijn.
  5. Week de bovenkant van de betonnen fundering grondig in en verwijder vervolgens het oppervlaktewater.
  6. Zorg voor een goede bekisting aan beide uiteinden van het basisframe.
    A: bekisting
    bekisting
  7. Controleer indien nodig de waterpasstelling van het basisframe opnieuw voordat u gaat gieten.
  8. Giet niet-krimpende gietmortel door de openingen van het basisframe totdat de ruimte onder het basisframe volledig is gevuld.
  9. Vul de bekisting met gietmortel tot aan het bovenste niveau van het basisframe.
  10. Laat de gietmortel grondig drogen voordat u de leidingen aan de pomp bevestigt. 24 uur is voldoende tijd bij een goedgekeurde gietprocedure.
  11. Controleer, wanneer de gietmortel volledig is uitgehard, de ankerboutmoeren en draai ze indien nodig vast.

Leidingen

Leidinginstallatie
Bij het installeren van de leidingen mag het pomphuis niet worden belast door de leidingen.
De inlaat- en uitlaatleidingen moeten een adequate grootte hebben, rekening houdend met de pompinlaatdruk.
De leidingen moeten zo worden geïnstalleerd dat luchtbellen worden vermeden, vooral aan de inlaatzijde van de pomp.

Pipelines

De afsluiters moeten aan beide zijden van de pomp worden gemonteerd om te voorkomen dat het systeem moet worden afgetapt als de pomp moet worden gereinigd of gerepareerd. De leidingen moeten zo dicht mogelijk bij de pomp voldoende worden ondersteund, zowel aan de inlaat- als aan de uitlaatzijde. De tegenflenzen moeten waar liggen tegen de pompflenzen zonder te worden belast, omdat spanning schade aan de pomp zou veroorzaken.
Pompinstallatie
Pompinstallatie

Directe montage in leidingen
waarschuwingOm een stille werking te garanderen, hangt u de leidingen op aan geschikte pijphangers.
Pompen die zijn uitgerust met motoren tot en met framegrootte 132 zijn geschikt voor directe montage in ondersteunde leidingen.
Directe montage in leidingen
Directe montage in leidingen
Dit type installatie staat het gebruik van expansieverbindingen niet toe.

Bypass

Explosiegevaar
Dood of ernstig persoonlijk letsel

  • Het is niet toegestaan de pomp tegen een gesloten klep te laten draaien, behalve tijdens het opstarten. Werken tegen een gesloten klep gedurende een langere periode zal een temperatuurstijging en de vorming van stoom veroorzaken en kan leiden tot schade aan of explosie van het pomphuis. De klep moet tijdens bedrijf open worden gehouden.

Als er enig gevaar bestaat dat de pomp tegen een gesloten klep draait, zorg dan voor een minimale vloeistofstroom door de pomp door een bypass of afvoer op de uitlaatpijp aan te sluiten. De minimale volumestroom moet minstens 10% van de maximale volumestroom zijn. De volumestroom en de opvoerhoogte staan vermeld op het typeplaatje van de pomp.

Trillingsdemping

Eliminatie van lawaai en trillingen
Om een optimale werking en een minimum aan lawaai en trillingen te bereiken, moet u trillingsdemping van de pomp overwegen. Over het algemeen moet u dit altijd overwegen voor pompen met motoren van 15 pk (11 kW) en hoger. Trillingsdemping is verplicht voor motoren van 125 pk (90 kW) en hoger. Kleinere motorformaten kunnen echter ook ongewenste geluiden en trillingen veroorzaken.
Lawaai en trillingen worden gegenereerd door de omwentelingen van de motor en pomp en door de stroming in leidingen en fittingen. Het effect op het milieu is subjectief en hangt af van een correcte installatie en de staat van de rest van het systeem.
Eliminatie van lawaai en trillingen wordt het best bereikt door middel van een betonnen fundering, trillingsdempers en expansieverbindingen. Zie de onderstaande afbeelding.
Trillingsdemping met een betonnen fundering, trillingsdempers en expansieverbindingen.

Trillingsdempers
Om de overdracht van trillingen naar gebouwen te voorkomen, raden we aan om de pompfundering van bouwdelen te isoleren door middel van trillingsdempers. Deze beslissing moet worden genomen door de klant of ontwerper of adviseur van de installatie.
Voor de selectie van de juiste trillingsdemper zijn de volgende gegevens vereist:

  • krachten die door de demper worden overgedragen
  • motortoerental, rekening houdend met snelheidsregeling, indien van toepassing
  • vereiste demping in % - de aanbevolen waarde is 70%.

De selectie van een trillingsdemper verschilt van installatie tot installatie. In bepaalde gevallen kan een verkeerde demper het trillingsniveau verhogen. Trillingsdempers moeten daarom worden gedimensioneerd door de leverancier van de trillingsdempers.
Als u de pomp op een fundering met trillingsdempers installeert, moet u altijd expansieverbindingen op de pompflenzen monteren. Dit is belangrijk om te voorkomen dat de pomp in de flenzen "hangt".

Expansieverbindingen

Expansieverbindingen bieden deze voordelen:

  • absorptie van thermische uitzetting en samentrekking van leidingen veroorzaakt door variaties in vloeistoftemperatuur
  • vermindering van mechanische invloeden in verband met drukstoten in de leidingen
  • isolatie van geluid dat door de structuur wordt overgedragen in de leidingen, alleen van toepassing op rubberen balgexpansieverbindingen.

voorzichtigInstalleer geen expansieverbindingen om onnauwkeurigheden in de leidingen te compenseren, zoals middenverplaatsing of verkeerde uitlijning van flenzen.
De expansieverbindingen moeten worden gemonteerd op een minimale afstand van 1 tot 1,5 keer de pijpdiameter vanaf de pomp aan de inlaat- en de uitlaatzijde. Dit voorkomt turbulentie in de expansieverbindingen, waardoor optimale inlaatcondities en minimaal drukverlies aan de uitlaatzijde worden gegarandeerd. Bij stroomsnelheden hoger dan 5 m/s (16,4 ft/s) raden we aan om grotere expansieverbindingen te monteren die overeenkomen met de leidingen.
De onderstaande afbeeldingen tonen voorbeelden van rubberen balgexpansieverbindingen met of zonder begrenzingsstangen.
Rubberen balgexpansieverbinding met begrenzingsstangen
Rubberen balgexpansieverbinding met begrenzingsstangen
Rubberen balgexpansieverbinding zonder begrenzingsstangen
Rubberen balgexpansieverbinding zonder begrenzingsstangen
We raden altijd aan om expansieverbindingen met begrenzingsstangen te gebruiken voor flenzen groter dan 4 inch om de effecten van de uitzettings- of samentrekkingskrachten op de leidingen te verminderen. Volg de instructies van de leverancier en geef deze door aan adviseurs of leidinginstallateurs.
U moet de leidingen zo verankeren dat ze de expansieverbindingen en de pomp niet belasten.
De onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van een metalen balgexpansieverbinding met begrenzingsstangen.
Metalen balgexpansieverbinding met begrenzingsstangen
Metalen balgexpansieverbinding met begrenzingsstangen
Vanwege het risico op scheuren van de rubberen balg raden we aan om metalen balgexpansieverbindingen te gebruiken bij temperaturen boven 100 °C (212 °F) in combinatie met hoge druk.

Meetinstrumenten

Drukmeter en mano-vacuümmeter
Om een continu toezicht op de werking te waarborgen, raden we aan om een drukmeter aan de uitlaatzijde en een manovacuümmeter aan de inlaatzijde te installeren. De drukmeterkranen mogen alleen voor testdoeleinden worden geopend. Het meetbereik van de meters moet 20% boven de maximale pompdruk liggen. Let er bij het meten met een drukmeter op de pompflenzen op dat een drukmeter geen dynamische druk registreert.
Bij alle pompen zijn de diameters van de inlaat- en uitlaatflenzen verschillend, wat resulteert in verschillende stroomsnelheden bij de twee flenzen. Bijgevolg zal de drukmeter op de uitlaatflens niet de druk weergeven die in de technische documentatie staat, maar een waarde die tot 22 PSI (1,5 bar) of ongeveer 50 ft (15 m) opvoerhoogte lager kan zijn.

Ampèremeter
We raden aan om een ampèremeter aan te sluiten om de motorbelasting te controleren.

Elektrische aansluiting

De elektrische aansluiting moet worden uitgevoerd door een gekwalificeerde elektricien in overeenstemming met de lokale voorschriften.


Elektrische schok
Dood of ernstig persoonlijk letsel

  • Voordat u de klemmenkastdeksel verwijdert, en voordat u de pomp verwijdert of demonteert, moet u ervoor zorgen dat de stroomtoevoer is uitgeschakeld en dat deze niet per ongeluk weer kan worden ingeschakeld. Gebruik lockout-tagout indien beschikbaar. De pomp moet worden aangesloten op een externe hoofdschakelaar.


Explosieve omgeving

Dood of ernstig persoonlijk letsel

  • Wanneer elektrische apparatuur in een explosieve omgeving wordt gebruikt, moeten de regels en voorschriften die in het algemeen of specifiek worden opgelegd door de relevante autoriteiten of brancheorganisaties, worden nageleefd.

De bedrijfsspanning en -frequentie staan vermeld op het typeplaatje. Zorg ervoor dat de motor geschikt is voor de stroomtoevoer van de installatieplaats.
De elektrische aansluiting moet worden uitgevoerd zoals weergegeven in het bedradingsschema in het deksel van de aansluitdoos.

Spannings- en frequentievariatie

De motor zal naar tevredenheid werken onder de volgende spannings- en frequentievariaties, maar niet noodzakelijkerwijs in overeenstemming met de normen die zijn vastgesteld voor werking onder nominale omstandigheden:

  • De spanningsvariatie mag niet meer dan 10% boven of onder de waarde liggen die op het typeplaatje van de motor staat aangegeven.
  • De frequentievariatie mag niet meer dan 5% boven of onder de nominale waarde van de motor liggen.

Motorbeveiliging


Automatische start

Dood of ernstig persoonlijk letsel

  • Voordat u begint met reparatiewerkzaamheden aan motoren met een thermische schakelaar of thermistoren, moet u ervoor zorgen dat de motor niet automatisch opnieuw kan starten na afkoeling.

Driefasenmotoren moeten worden aangesloten op een motorbeveiligingsschakelaar. De elektrische aansluiting moet worden uitgevoerd zoals weergegeven in het bedradingsschema aan de achterkant van het deksel van de aansluitdoos.

Synchrone motoren

Pompen die zijn uitgerust met synchrone motoren moeten worden aangesloten op een Grundfos CUE-frequentieomvormer.

Voorbeeld van installatie zonder filter

Symbool Aanduiding
1 CUE
4 Standaardmotor
Eén lijn Niet-afgeschermde kabel
Dubbele lijn Afgeschermde kabel

Synchrone motoren mogen niet rechtstreeks op het elektriciteitsnet worden aangesloten.
De CUE moet van het type T/C CUE203 zijn, gevolgd door extra cijfers en tekens. Raadpleeg de CUE-installatie- en bedieningsinstructie voor het instellen van de frequentiedriver samen met de synchrone motor.
Als een ander merk frequentiedriver dan CUE vereist of gespecificeerd is, neem dan contact op met Grundfos.
Voorbeeld van CUE-typeplaatje
Voorbeeld van CUE-typeplaatje

Tekstbeschrijving
T/C CUE (productnaam) 203... (interne code)

Werking van de frequentieomvormer

Alle driefasenmotoren kunnen worden aangesloten op frequentieomvormers.
De werking van de frequentieomvormer zal het isolatiesysteem van de motor vaak blootstellen aan een zwaardere belasting, waardoor de motor meer lawaai maakt dan normaal als gevolg van wervelstromen die worden veroorzaakt door spanningspieken.
Een grote motor die wordt aangedreven door een frequentieomvormer, wordt belast met lagerstromen.
Controleer deze bedrijfsomstandigheden als de pomp wordt aangedreven door een frequentieomvormer:

Bedrijfsomstandigheden Vereisten
2-, 4- en 6-polige motoren, 100 pk (75 kW) en hoger De motor moet een Aegis-aardingsring hebben en de lagers moeten elektrisch geïsoleerd zijn. Neem contact op met Grundfos.
Geluidsgevoelige toepassingen Er moet een uitgangsfilter worden geplaatst tussen de motor en de frequentieomvormer. Dit vermindert de spanningspieken en dus het geluid.
Bijzonder geluidsgevoelige toepassingen Er moet een sinusfilter worden geplaatst.
Kabellengte Er moet een kabel worden aangebracht die voldoet aan de specificaties van de leverancier van de frequentieomvormer.
Voedingsspanning De motorspanning moet geschikt zijn voor de werking van de frequentieomvormer.
Hoge piekspanningen Er moet een sinusfilter worden geplaatst tussen de motor en de frequentieomvormer. De motor moet een versterkte isolatie hebben.
Toepassingen met hoge spanning of stroomharmonischen of harmonische gevoeligheid Er moet een sinusfilter worden geplaatst en de motor moet een versterkte isolatie hebben.

Opstarten

Start de pomp pas nadat deze is gevuld met vloeistof en is ontlucht.

Het leidingsysteem spoelen


Biologisch gevaar

Licht of matig persoonlijk letsel

  • Bij het verpompen van drinkwater moet de pomp vóór het opstarten grondig worden gespoeld met schoon water om vreemde stoffen, zoals conserveermiddelen, testvloeistof of vet, te verwijderen.
  • Voordat u de pomp opstart, moet u het leidingsysteem grondig reinigen, spoelen en vullen met schoon water.

waarschuwingDe garantie dekt geen schade die wordt veroorzaakt door het spoelen van het leidingsysteem met behulp van de pomp.
voorzichtigheidDe pomp is niet ontworpen voor het verpompen van vloeistoffen die vaste deeltjes bevatten, zoals leidingresten en lasslak.

Het product vullen

Het product vullen in gesloten systemen of open systemen waar het vloeistofniveau zich boven de pompinlaat bevindt

  1. Sluit de afsluitklep in de uitlaatleiding en open langzaam de afsluitklep in de inlaatleiding. Zowel de pomp als de inlaatleiding moeten volledig gevuld zijn met vloeistof.

    Vrijkomende vloeistof
    Dood of ernstig persoonlijk letsel
    • Let op de richting van het vulgat om ervoor te zorgen dat de vrijkomende vloeistof geen persoonlijk letsel of schade aan de motor of andere componenten veroorzaakt.
    • Let in installaties met hete vloeistoffen in het bijzonder op het risico van persoonlijk letsel veroorzaakt door hete vloeistof.
    • Let in installaties met koude vloeistoffen in het bijzonder op het risico van persoonlijk letsel veroorzaakt door koude vloeistof.
  2. Draai de vulplug los om de pomp te ontluchten. Zodra er vloeistof uitloopt, draait u de vulplug vast.

Het product vullen bij inlaatwerking met terugslagklep
De inlaatleiding en de pomp moeten gevuld zijn met vloeistof en ontlucht zijn voordat de pomp wordt gestart.

  1. Sluit de afsluitklep in de uitlaatleiding en open langzaam de afsluitklep in de inlaatleiding.
  2. Verwijder de vulplug die is aangegeven met M.
  3. Giet vloeistof door het gat totdat de inlaatleiding en de pomp volledig gevuld zijn met vloeistof.
  4. Plaats de vulplug die is aangegeven met M.
  5. De inlaatleiding kan worden gevuld en ontlucht via de vulplug. Als alternatief kan een vulinrichting met trechter vóór de pomp worden geïnstalleerd.
    Aftapplug (E), vul- en ontluchtingsplug (M)

Het product vullen in open systemen waar het vloeistofniveau zich onder de pompinlaat bevindt

  1. Als er een afsluitklep is aangebracht aan de inlaatzijde van de pomp, moet de klep volledig open staan.
  2. Sluit de afsluitklep in de uitlaatleiding en draai de vul- en aftappluggen vast.
    Aftapplug (E), vul- en ontluchtingsplug (M)
  3. Sluit een handmatige ontluchtingspomp met de trechter aan in plaats van een vulinrichting.
  4. Installeer een schuifklep tussen de ontluchtingspomp en de centrifugaalpomp om de ontluchtingspomp te beschermen tegen overmatige druk.
  5. Zodra de schuifklep bij de handmatige ontluchtingspomp is geopend, ontlucht u de inlaatleiding met korte, snelle pompslagen totdat de vloeistof aan de uitlaatzijde uitloopt.
  6. Sluit de klep bij de ontluchtingspomp.

De draairichting controleren

waarschuwingDe pomp moet gevuld zijn met vloeistof bij het controleren van de draairichting.
De juiste draairichting wordt aangegeven door pijlen op het pomphuis. Zie de onderstaande afbeelding.
M is de vulplug (ontluchtingsplug), E is de aftapplug.

  1. Controleer de draairichting door naar de rotatie van de motorventilator te kijken.
  2. Zet de motor even aan om ervoor te zorgen dat de draairichting correct is, zoals aangegeven door de pijl in het pomphuis.
    Dit mag alleen worden gedaan voor driefasenmotoren.
  3. Als de draairichting onjuist is, verwissel dan twee draden op de motorstarterklemmen T1 en T2.

waarschuwingWees uiterst voorzichtig om ervoor te zorgen dat motoren slechts kort worden ingeschakeld bij het bepalen van de juiste draairichting.

De pomp opstarten

  1. Open de afsluitklep aan de inlaatzijde van de pomp volledig en laat de afsluitklep aan de uitlaatzijde bijna gesloten.
  2. Start de pomp.
  3. Ontlucht de pomp tijdens het opstarten door de ontluchtingsschroef in de pompkop of het pompkopdeksel los te draaien totdat er een constante stroom vloeistof uit het ontluchtingsgat loopt.
    Positie van ontluchtingsschroef (A)/plug


    Vrijkomende vloeistof
    Dood of ernstig persoonlijk letsel
    • Let op de richting van het ontluchtingsgat om ervoor te zorgen dat de vrijkomende vloeistof geen persoonlijk letsel of schade aan de motor of andere componenten veroorzaakt.
    • Let in installaties met hete vloeistoffen in het bijzonder op het risico van persoonlijk letsel veroorzaakt door hete vloeistof.
    • Let in installaties met koude vloeistoffen in het bijzonder op het risico van persoonlijk letsel veroorzaakt door koude vloeistof.
  4. Wanneer de leidingen gevuld zijn met vloeistof, opent u langzaam de afsluitklep aan de uitlaatzijde totdat deze volledig open is.
  5. Controleer de overbelasting door het motorstroomverbruik te meten en de waarde te vergelijken met de nominale stroom die op het typeplaatje van de motor staat vermeld. In geval van overbelasting smoort u de klep aan de uitlaatzijde totdat de motor niet langer overbelast is.
    voorzichtigheidAls de pomp is uitgerust met een motor met een vermogen dat is geselecteerd op basis van een specifiek maximaal debiet, kan de motor overbelast raken als het verschildruk lager is dan verwacht.
  6. Meet altijd het motorstroomverbruik tijdens het opstarten.
    informatieOp het moment van opstarten is de ingangsstroom van de pompmotor tot zes keer hoger dan de vollaststroom die op het typeplaatje van de motor staat vermeld.

Inlooptijd asafdichting

De afdichtvlakken worden gesmeerd door de verpompte vloeistof, wat betekent dat er een bepaalde hoeveelheid lekkage van de asafdichting kan zijn. Wanneer de pomp voor de eerste keer wordt gestart, of wanneer een nieuwe asafdichting wordt geïnstalleerd, is een bepaalde inlooptijd vereist voordat de lekkage tot een aanvaardbaar niveau is gereduceerd. De benodigde tijd is afhankelijk van de bedrijfsomstandigheden, dat wil zeggen dat er telkens wanneer de bedrijfsomstandigheden veranderen, een nieuwe inlooptijd begint.
Onder normale omstandigheden verdampt de lekkende vloeistof en wordt er dus geen lekkage gedetecteerd.
Vloeistoffen zoals kerosine verdampen niet en er zijn druppels zichtbaar, maar het is geen defect aan de asafdichting.

Mechanische asafdichtingen
Mechanische asafdichtingen zijn precisiecomponenten. Als de mechanische asafdichting van een recent geïnstalleerde pomp defect raakt, gebeurt dit normaal gesproken binnen de eerste paar uur na de werking. De belangrijkste oorzaak van dergelijke defecten is onjuiste installatie van de asafdichtingen en/of onjuiste behandeling van de pomp tijdens de installatie.

Referentiewaarden van bewakingsapparatuur

We raden aan om initiële metingen van de inlaat- en uitlaatdrukken uit te voeren met behulp van manometers.
De metingen kunnen worden gebruikt als referentie in geval van abnormale werking.

Service

Bewegende machineonderdelen
Bewegende machineonderdelen
Dood of ernstig persoonlijk letsel

  • Zorg ervoor dat, vóór inspectie, onderhoud, service of reparatie van het product, de motorbedieningen in de "OFF"-positie (UIT) staan, vergrendeld en gelabeld.

Elektrische schok en onbedoelde pompstart
Elektrische schok en onbedoelde pompstart
Dood of ernstig persoonlijk letsel

  • Schakel, voordat u aan het product gaat werken, de stroomtoevoer uit. Zorg ervoor dat de stroomtoevoer niet per ongeluk kan worden ingeschakeld. Gebruik indien beschikbaar logout-tagout.

Verontreinigde producten

Biologisch gevaar
Biologisch gevaar
Licht of matig persoonlijk letsel

  • Spoel de pomp na demontage grondig met schoon water en spoel de pomponderdelen af in water.

Het product wordt geclassificeerd als verontreinigd als het is gebruikt voor een vloeistof die schadelijk is voor de gezondheid of giftig is. Als u Grundfos verzoekt het product te onderhouden, neem dan contact op met Grundfos met details over de verpompte vloeistof voordat u het product terugstuurt voor service.
Anders kan Grundfos weigeren het product voor service te accepteren.
Het product moet grondig worden gereinigd voordat u het retourneert.
Kosten voor het retourneren van het product dienen door de klant te worden betaald.

Onderhoud

Bewegende machineonderdelen
Bewegende machineonderdelen
Dood of ernstig persoonlijk letsel

  • Zorg ervoor dat, vóór inspectie, onderhoud, service of reparatie van het product, de motorbedieningen in de "OFF"-positie (UIT) staan, vergrendeld en gelabeld.

Elektrische schok en onbedoelde pompstart
Elektrische schok en onbedoelde pompstart
Dood of ernstig persoonlijk letsel

  • Schakel, voordat u aan het product gaat werken, de stroomtoevoer uit. Zorg ervoor dat de stroomtoevoer niet per ongeluk kan worden ingeschakeld. Gebruik indien beschikbaar logout-tagout.

Onderhoud van de pomp
De pomp is onderhoudsvrij.

Onderhoud van de mechanische asafdichtingen
Mechanische asafdichtingen zijn onderhoudsvrij en werken vrijwel zonder lekkage.

  • Als er aanzienlijke of toenemende sijpeling optreedt, controleer dan onmiddellijk de mechanische asafdichting.
  • Als de glijvlakken beschadigd zijn, vervang dan de gehele asafdichting. Behandel mechanische asafdichtingen met de grootste zorg.

Eindzuigpompen die zijn uitgerust met mechanische asafdichtingen, zijn afgestemd op de bedrijfsomstandigheden waarvoor de pomp is verkocht. Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht om schade aan de asafdichting te voorkomen en een maximale levensduur van de asafdichting te bereiken.
Laat de pomp niet drooglopen of tegen een gesloten klep. Drooglopen veroorzaakt defecten aan de asafdichting.
Overschrijd de temperatuur- of drukbeperkingen voor de gebruikte mechanische asafdichting niet.

Onderhoud van de motor
Het is belangrijk om de motor schoon te houden om een goede ventilatie te garanderen.

  • Controleer de motor regelmatig.
  • Als de pomp in een stoffige omgeving is geïnstalleerd, controleer en reinig hem dan regelmatig.

Smering van de motor
Volg altijd de smeerinstructies van de motorfabrikant.
Sommige informatie staat op het typeplaatje van de motor en aanvullende informatie is te vinden in de installatie- en bedieningshandleiding van de motorfabrikant.

Servicekits

Servicekits voor de producten, zie Grundfos Product Center in www.grundfos.com of Service Kit Catalogue.

Het product buiten bedrijf stellen

De pomp beschermen tijdens perioden van inactiviteit en vorst

Pompen die tijdens vorstperioden niet worden gebruikt, moeten worden afgetapt om schade te voorkomen.
Vrijkomende vloeistof
Vrijkomende vloeistof
Dood of ernstig persoonlijk letsel

  • Zorg ervoor dat de vrijkomende vloeistof geen persoonlijk letsel of schade aan de motor of andere componenten veroorzaakt.
  • Besteed in installaties met hete vloeistoffen speciale aandacht aan het risico op persoonlijk letsel veroorzaakt door hete vloeistof.
  • Besteed in installaties met koude vloeistoffen speciale aandacht aan het risico op persoonlijk letsel veroorzaakt door koude vloeistof.
  1. Tap de pomp af door de aftapplug te verwijderen.
    Aftapplug (E), ontluchtings- en ontluchtingsplug (M)
  2. Draai de ontluchtingsplug niet vast en vervang de aftapplug pas als de pomp weer gebruikt gaat worden.
  3. Als de pomp voor een lange periode van inactiviteit moet worden afgetapt, spuit dan een paar druppels siliconenolie op de as bij de lagerbeugel. Dit voorkomt dat de asafdichtingsvlakken vast komen te zitten.

Korte termijn stillegging

Voor stilleggingsperioden 's nachts of tijdelijke stilleggingsperioden onder niet-vriezende omstandigheden, kan de pomp gevuld blijven met vloeistof. De pomp moet volledig zijn gevuld voordat deze opnieuw wordt gestart.
Voor korte of frequente stilleggingsperioden onder vriezende omstandigheden, moet de vloeistof in het pomphuis in beweging worden gehouden en moet de buitenkant van de pomp worden geïsoleerd of verwarmd om bevriezing te voorkomen.

Lange termijn stillegging

Voor lange stilleggingsperioden, of om de pomp te isoleren voor onderhoud, moet de inlaatklep worden gesloten. Als er geen inlaatklep wordt gebruikt en de pomp een positieve inlaatdruk heeft, moet alle vloeistof uit de inlaatleiding worden afgetapt om te voorkomen dat de vloeistof de pompinlaat binnendringt. De plug in de pompafvoer- en ontluchtingsgaten moet indien nodig worden verwijderd en alle vloeistof moet uit het pomphuis worden afgetapt.
Als er tijdens lange stilleggingsperioden sprake is van vriezende omstandigheden, moet de pomp volledig worden afgetapt en moeten alle vloeistofkanalen en -zakken worden uitgeblazen met perslucht. Bevriezing van de verpompte vloeistof kan ook worden voorkomen door de pomp te vullen met antivriesoplossing.

Het product opslaan

  1. Als u de pomp niet direct na aankomst gebruikt, bewaar hem dan op een schone, droge plaats met langzame, gematigde veranderingen in de omgevingstemperatuur.
  2. Bescherm de pomp tegen vocht, stof, vuil en vreemde voorwerpen. Voor en tijdens opslag raden we de volgende voorzorgsmaatregelen aan:
    1. Zorg ervoor dat de inlaat- en uitlaatpoorten en alle andere openingen zijn afgedekt met karton, hout of afplaktape om te voorkomen dat er vreemde voorwerpen de pomp binnendringen.
    2. Als het apparaat moet worden opgeslagen op een plaats zonder beschermende afdekking, bedek het dan met een zeildoek of waterdicht materiaal, of een andere geschikte afdekking.
    3. Draai de as om de twee weken twee slagen om corrosie van de lageroppervlakken en de stopbuspakking of asafdichtingsvlakken door vocht te voorkomen.
  3. Als de pomp langer dan zes maanden moet worden opgeslagen voordat deze in gebruik wordt genomen, breng dan een geschikte corrosieremmer aan op de interne pomponderdelen.
    Zorg ervoor dat de gebruikte corrosieremmer geen invloed heeft op de rubberen onderdelen waarmee deze in contact komt.
    Voor dit doel kunnen in de handel verkrijgbare conserveermiddelen worden gebruikt. Neem de instructies van de fabrikant voor het aanbrengen of verwijderen in acht.
  4. Houd alle openingen afgedekt totdat de leidingen klaar zijn om te worden gemonteerd om te voorkomen dat er water en stof in de pomp terechtkomen.
    De kosten voor het demonteren van de pomp tijdens de opstartfase om vreemde voorwerpen te verwijderen, kunnen erg hoog zijn.

Foutopsporing


Elektrische schok
Dood of ernstig persoonlijk letsel

  • Voordat u het klemmenkastdeksel verwijdert en voordat u de pomp verwijdert of demonteert, moet u ervoor zorgen dat de stroomtoevoer is uitgeschakeld en dat deze niet per ongeluk opnieuw kan worden ingeschakeld. Gebruik logout-tagout indien beschikbaar.


Ontsnappende vloeistof
Dood of ernstig persoonlijk letsel

  • Let op de oriëntatie van het ontluchtingsgat om ervoor te zorgen dat de ontsnappende vloeistof geen persoonlijk letsel of schade aan de motor of andere componenten veroorzaakt.
  • Besteed bij installaties met hete vloeistoffen speciale aandacht aan het risico op persoonlijk letsel veroorzaakt door hete vloeistof die brandwonden kan veroorzaken.
  • Besteed bij installaties met koude vloeistoffen speciale aandacht aan het risico op persoonlijk letsel veroorzaakt door koude vloeistof.


Koud oppervlak of heet oppervlak
Licht of matig persoonlijk letsel

  • Zorg er bij het verpompen van hete of koude vloeistoffen voor dat niemand per ongeluk in contact kan komen met hete of koude oppervlakken.
Fout Oorzaak Oplossing



De pomp levert geen of te weinig vloeistof




  1. De elektrische aansluiting is verkeerd, bijvoorbeeld twee fasen.
  1. Controleer de elektrische aansluiting.
  2. Verhelp indien nodig.
  1. De draairichting is verkeerd.
  • Verwissel twee fasen van de stroomtoevoer.
  1. Er zit lucht in de inlaatleiding.
  • Ontlucht de inlaatleiding of de pomp.
  1. De tegendruk is te hoog.
  1. Stel het werkpunt in volgens het debiet en de opvoerhoogte waarvoor de pomp is geselecteerd.
  2. Controleer het systeem op vuil.
  3. Reinig het systeem indien nodig.
  1. De inlaatdruk is te laag.
  • Verhoog het vloeistofniveau aan de inlaatzijde.
  • Open de afsluiter in de inlaatleiding.
  • Zorg ervoor dat aan alle voorwaarden in het gedeelte Leidingen is voldaan.
  1. De inlaatleiding of waaier is verstopt door vuil.
  • Reinig de inlaatleiding of pomp.
  1. De pomp zuigt lucht aan door een defecte afdichting.
  1. Controleer de leidingafdichtingen, pomphuispakkingen en asafdichtingen.
  2. Vervang pakkingen en afdichtingen indien nodig.
  1. De pomp zuigt lucht aan door een laag vloeistofniveau.
  1. Verhoog het vloeistofniveau aan de inlaatzijde.
  2. Houd het vloeistofniveau zo constant mogelijk.


De motorbeveiligingsschakelaar is geactiveerd omdat de motor overbelast is.

  1. De pomp is verstopt door vuil.
  • Reinig de pomp.
  1. De pomp draait boven het nominale werkpunt.
  • Stel het werkpunt in volgens het debiet en de opvoerhoogte waarvoor de pomp is geselecteerd.
  1. De dichtheid of viscositeit van de vloeistof is hoger dan gespecificeerd bij de bestelling.
  • Als minder debiet voldoende is, verlaag dan het debiet aan de uitlaatzijde.
  • Als minder debiet onvoldoende is, monteer dan een krachtigere motor.
  1. De overbelastingsinstelling van de motorbeveiligingsschakelaar is onjuist.
  1. Controleer de instelling van de motorbeveiligingsschakelaar.
  2. Pas de instelling indien nodig aan.
  1. De motor draait op twee fasen.
  1. Controleer de elektrische aansluiting.
  2. Vervang de zekering als deze defect is.
  1. De motor is mogelijk defect
  1. Controleer de motor.
  2. Vervang de motor indien nodig.



De pomp maakt te veel lawaai. De pomp loopt onregelmatig en trilt.





  1. De inlaatdruk is te laag, wat resulteert in cavitatie in de pomp.
  • Verhoog het vloeistofniveau aan de inlaatzijde.
  • Open de afsluiter in de inlaatleiding.
  • Zorg ervoor dat aan alle voorwaarden in het gedeelte Leidingen is voldaan.
  1. Er zit lucht in de inlaatleiding of pomp.
  • Ontlucht de inlaatleiding of de pomp.
  1. De tegendruk is lager dan gespecificeerd.
  • Stel het werkpunt in volgens het debiet en de opvoerhoogte waarvoor de pomp is geselecteerd.
  1. De pomp zuigt lucht aan door een laag vloeistofniveau.
  • Verhoog het vloeistofniveau aan de inlaatzijde en houd het zo constant mogelijk.
  1. De waaier is uit balans of de waaierbladen zijn verstopt.
  1. Reinig de waaier.
  2. Controleer de waaierbladen, reinig ze indien nodig.
  1. De interne onderdelen zijn versleten.
  • Vervang de defecte onderdelen.
  1. De pomp wordt belast door de leidingen, waardoor startgeluid ontstaat.
  • Monteer de pomp zo dat deze niet wordt belast.
  • Ondersteun de leidingen.
  1. De lagers zijn defect.
  • Vervang de lagers.
  1. De motorventilator is defect.
  • Vervang de ventilator.
  1. Er zitten vreemde voorwerpen in de pomp.
  • Reinig de pomp.
  1. Werking met een frequentieomvormer veroorzaakt lawaai.
  • Zoek de verschillende oplossingen in het gedeelte Werking met frequentieomvormer. Zie het gedeelte Werking met frequentieomvormer.

De pomp, aansluitingen of mechanische asafdichting lekt

  1. De pomp wordt belast door de leidingen, wat lekkages in het pomphuis of bij aansluitingen veroorzaakt.
  • Monteer de pomp zo dat deze niet wordt belast.
  • Ondersteun de leidingen.
  1. Pomphuispakkingen en pakkingen bij aansluitingen zijn defect.
  • Vervang de pomphuispakkingen of pakkingen bij aansluitingen.
  1. De mechanische asafdichting is vuil of zit vast.
  • Controleer en reinig de mechanische asafdichting.
  1. De mechanische asafdichting is defect.
  • Vervang de mechanische asafdichting.
  1. Het asoppervlak is defect.
  • Vervang de as.

De temperatuur in de pomp of motor is te hoog.
  1. Er zit lucht in de inlaatleiding of pomp.
  1. Ontlucht de inlaatleiding of de pomp.
  2. Vul de inlaatpijp en de pomp opnieuw.
  1. De inlaatdruk is te laag.
  • Verhoog het vloeistofniveau aan de inlaatzijde.
  • Open de afsluiter in de inlaatleiding.
  • Zorg ervoor dat aan alle voorwaarden in het gedeelte Leidingen is voldaan.
  1. De lagers zijn gesmeerd met te weinig, te veel of ongeschikt smeermiddel.
  • Vul het smeermiddel bij, verminder het of vervang het.
  1. De axiale druk is te hoog.
  1. Controleer de ontlastingsgaten van de waaier aan de inlaatzijde.
  2. Reinig de gaten indien nodig
  1. De motorbeveiligingsschakelaar is defect of de instelling is onjuist.
  1. Controleer de instelling van de motorbeveiligingsschakelaar.
  2. Vervang de stroomonderbreker indien nodig.
  1. De motor is overbelast.
  • Verlaag het debiet.

Technische gegevens

Bedrijfsomstandigheden

Omgevingstemperatuur en hoogte
De omgevingstemperatuur en de installatiehoogte zijn belangrijke factoren voor de motor.
Alle motoren kunnen werken zonder vermogensvermindering voor temperaturen tot +104°F (+40°C) of onder een hoogte van 3280,8 ft (1000 m) boven zeeniveau. Boven deze twee limieten kan het nodig zijn om een motor met een hoger vermogen te gebruiken, of met een lager vermogen. Neem contact op met de motorfabrikant als de motor boven deze limieten moet worden gebruikt. Raadpleeg de motorfabrikant voordat u de motor boven deze limieten gebruikt.

Vloeistoftemperatuur
Vloeistoftemperatuur: -13 tot 284°F (-25 tot +140°C).
De maximale vloeistoftemperatuur staat vermeld op het typeplaatje van de pomp en is afhankelijk van de gekozen asafdichting.

Maximale bedrijfsdruk
Overschrijd de maximale bedrijfsdruk die op het typeplaatje van de pomp staat niet.Overschrijd de maximale bedrijfsdruk die op het typeplaatje van de pomp staat niet.

Drukkrachten in de pomp

Pos. Omschrijving
1 Maximale bedrijfsdruk, d.w.z. druk boven de atmosferische druk
2 Pompdruk
3 Inlaatdruk

De totale waarde van de inlaatdruk en de pompdruk moet lager zijn dan de maximale bedrijfsdruk die op het typeplaatje van de pomp staat vermeld. Werking tegen een gesloten klep geeft de hoogste bedrijfsdruk.

Minimale inlaatdruk
Let op de minimale inlaatdruk om cavitatie te voorkomen. Het risico op cavitatie is groter in de volgende situaties:

  • De vloeistoftemperatuur is hoog.

Maximale inlaatdruk
De totale waarde van de inlaatdruk en de pompdruk moet lager zijn dan de maximale bedrijfsdruk die op het typeplaatje van de pomp staat vermeld. Werking tegen een gesloten klep levert de hoogste bedrijfsdruk op.

Minimaal debiet
De pomp mag niet tegen een gesloten klep draaien, omdat dit een temperatuurstijging en stoomvorming in de pomp veroorzaakt. Dat kan leiden tot schade aan de as, erosie van de waaier, een korte levensduur van de lagers en schade aan de stopbuspakkingen of mechanische asafdichtingen als gevolg van spanning of trillingen. Het continue stabiele debiet moet minstens 10% van het nominale debiet bedragen. Het nominale debiet staat vermeld op het typeplaatje van de pomp.

Maximaal debiet
Overschrijd het maximale debiet niet, anders bestaat er bijvoorbeeld risico op cavitatie of overbelasting.
De minimale en maximale debieten worden aangegeven op de pagina's met prestatiecurven in de relevante databoekjes, of op een curve voor een specifieke pomp bij het selecteren ervan in het Grundfos Product Center. Zie www.grundfos.com.

Voorbeeld van Grundfos Product Center in www.grundfos.com met het minimale en maximale debiet

Pos. Omschrijving
A Minimaal debiet
B Maximaal debiet

Asafdichtingen
Het werkingsbereik van de afdichtingen wordt beschreven voor twee belangrijke toepassingen: het verpompen van water of het verpompen van koelvloeistoffen.
Afdichtingen met een temperatuurbereik van 32°F (0°C) en hoger worden voornamelijk gebruikt voor het verpompen van water, terwijl afdichtingen voor temperaturen onder 32°F (0°C) voornamelijk bedoeld zijn voor koelvloeistoffen.
voorzichtigheidWe raden u af om de pomp tegelijkertijd op maximale temperatuur en maximale druk te gebruiken, omdat dit resulteert in een kortere levensduur van de afdichting en het optreden van periodiek geluid.

Asafdichtingdiameter [mm] 20 28, 38 48 55 60
Asafdichtingtype Afdichtvlakken Rubberen Code Temperatuurbereik Max. druk [PSI] ([bar])
Balgafdichting, type B, ongebalanceerd BQ1 EPDM BBQE 32-248°F
(0-120°C)
232
(16)
232
(16)
232
(16)
232
(16)
232
(16)
BQ1 FKM BBQV 32-194°F
(0-90°C)
232
(16)
232
(16)
232
(16)
232
(16)
232
(16)
Q7Q7 EPDM BQQE -13 to +248°F
(-25 to +120°C)
232
(16)
232
(16)
232
(16)
232
(16)
232
(16)
Q7Q7 FKM BQQV 14 to 194°F
(-10 to +90°C)
232
(16)
232
(16)
232
(16)
232
(16)
232
(16)
O-ring afdichting, type D, gebalanceerd AQ1 FXM DAQF 32-284°F
(0-140°C)
363
(25)
363
(25)
363
(25)
363
(25)
363
(25)
Q6Q6 EPDM DQQE -4 to +248°F
(-20 to +120°C)
363
(25)
363
(25)
363
(25)
363
(25)
363
(25)

Elektrische gegevens

Zie het typeplaatje van de motor.

U.S.A.
Global Headquarters for WU
856 Koomey Road
Brookshire, Texas 77423 USA Phone: +1-630-236-5500
GRUNDFOS CBS Inc. 902 Koomey Road
Brookshire, TX 77423 USA
Phone: 281-994-2700
Toll Free: 1-800-955-5847 Fax: 1-800-945-4777
GRUNDFOS Pumps Corporation
9300 Loiret Boulevard
Lenexa, Kansas 66219 USA
Tel.: +1 913 227 3400
Fax: +1 913 227 3500

Canada
GRUNDFOS Canada inc.
2941 Brighton Road
Oakville, Ontario
L6H 6C9
Tel.: +1-905 829 9533
Fax: +1-905 829 9512

Mexico
Bombas GRUNDFOS de México
S.A. de C.V.
Boulevard TLC No. 15
Parque industrial Stiva Aeropuerto
Apodaca, N.L. 66600
Tel.: +52-81-8144 4000 Fax: +52-81-8144 4010

Download handleiding

Hier kunt u de volledige pdf-versie van de handleiding downloaden. Deze kan aanvullende veiligheidsinstructies, garantie-informatie, FCC-regels, enz. bevatten.

Download Grundfos NB-handleiding

Beschikbare talen

Inhoudsopgave