Grundfos CRE, CRNE handleiding

Algemeen

GRUNDFOS E-pompen zijn pompen die zijn uitgerust met frequentiegeregelde standaardmotoren voor driefasige netaansluiting. De pompen hebben een ingebouwde PI-regelaar en kunnen worden aangesloten op een externe sensor waardoor regeling mogelijk is van bijvoorbeeld druk, verschildruk, temperatuur, verschiltemperatuur of flow in het systeem waarin de pompen zijn geïnstalleerd. De pompen kunnen worden ingesteld op ongeregelde werking, d.w.z. dat de pompkarakteristiek kan worden ingesteld naar behoefte.
De pompen worden meestal gebruikt als drukverhogingspompen in systemen met variabele eisen.
De gewenste setpoint kan rechtstreeks worden ingesteld op het bedieningspaneel van de pomp, via een ingang voor extern setpointsignaal of door middel van de GRUNDFOS draadloze afstandsbediening R100.
Alle andere instellingen worden gemaakt met de R100.
Belangrijke parameters, zoals de werkelijke waarde van de regelparameter, het stroomverbruik, enz. kunnen via de R100 worden afgelezen.
De pomp is voorzien van ingangen voor externe potentiaalvrije contacten voor start/stop en digitale functie. De digitale functie maakt externe instelling mogelijk van max. curve, min. curve, externe foutfunctie of flowschakelaar.
De pomp heeft een uitgang voor een potentiaalvrij fout-, bedrijfs- of gereed-signaal.
Verder heeft de pomp een ingang voor buscommunicatie. Via de buscommunicatie-ingang kan de pomp worden geregeld en bewaakt door een gebouwbeheersysteem of een ander extern regelsysteem.

Installatie

Om koeling van motor en elektronica te waarborgen, moet het volgende in acht worden genomen:

  • Plaats de pomp op een zodanige manier dat voldoende koeling is gewaarborgd.
  • De temperatuur van de koellucht mag niet hoger zijn dan 40°C.
  • De koelvinnen van de motor en de ventilatorbladen moeten schoon worden gehouden.

Bij installatie buitenshuis moet ervoor worden gezorgd dat de motor is beschermd tegen invloeden van het klimaat, zoals regen, sneeuw en ijs.
Afb. 1 toont een voorbeeld van een installatie buitenshuis. Om de motor te beschermen tegen condensatie op de elektronische componenten, is er een afdekking op de motor geplaatst. In andere gevallen bepalen de specifieke bedrijfsomstandigheden de beschermingsoplossing.
Installatie - Stap 1
Zie voor verdere installatie de installatie- en bedieningsinstructies voor de standaardpomp.

Hantering

Neem bij het optillen van de hele pomp het volgende in acht:

  • CRE, CRNE 32, 45, 64 en 90 pompen die zijn uitgerust met MMGE-motoren van 11 kW, moeten worden opgetild met behulp van de oogbouten die op de pompkop zijn gemonteerd.
  • CRE, CRNE 32, 45, 64 en 90 pompen die zijn uitgerust met MMGE-motoren van 15 kW en tot 22 kW, moeten worden opgetild met behulp van de oogbouten die op de motor zijn gemonteerd.

Hanteringsvoorbeelden worden getoond in afb. 2.
Installatie - Stap 2 - Hantering

Elektrische aansluiting

Opmerking: De gebruiker of installateur is verantwoordelijk voor de installatie van de juiste aarding en beveiliging conform geldende nationale en lokale normen. Alle handelingen moeten worden uitgevoerd door een gekwalificeerde elektricien.
schokgevaar Breng nooit aansluitingen aan in de klemmenkast van de pomp, tenzij de stroomvoorziening gedurende ten minste 5 minuten is uitgeschakeld.

Netwerkschakelaar
De pomp moet worden aangesloten op een externe meerpolige netwerkschakelaar met een contactscheiding van ten minste 3 mm in elke pool volgens IEC 364.

Bescherming tegen elektrische schok - indirect contact
schokgevaar De pomp moet worden geaard en beschermd tegen indirect contact in overeenstemming met de nationale voorschriften.
Aardgeleiders moeten altijd een geel/groene (PE) of geel/groen/blauwe (PEN) kleurmarkering hebben.
Opmerking: Aangezien de lekstroom > 10 mA is, moeten deze motoren worden aangesloten op bijzonder betrouwbare/stevige aardverbindingen.
De lekstroom van de pomp is te vinden in het hoofdstuk Lekstroom.
EN 50 178 en BS 7671 specificeren het volgende:
De pomp moet stationair en permanent geïnstalleerd zijn. Verder moet de pomp permanent op de stroomvoorziening zijn aangesloten of kan deze worden aangesloten via een industriële stekker (CEE). De stekker moet voldoen aan EN 60 309 of IEC 309. Deze stekker moet een extra aardcontact bevatten dat moet worden aangesloten op een extra aardgeleider met een minimale doorsnede van 4 mm².
Bovendien moeten aangescherpte voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de aardverbinding in acht worden genomen.
Een van de volgende installatievoorbeelden moet worden gebruikt:

  • Een enkele aardgeleider met een doorsnede van 10 mm².
  • Afzonderlijke dubbele geleiders met elk een minimale doorsnede van 4 mm².
  • Dubbele (aard)geleiders in een meeraderige kabel. Een van de geleiders kan de metalen bepantsering of mantel van de kabel zijn.
  • Een aardgeleider die zich in een kabelgoot, -kanaal of kabeldraag bevindt en zo een dubbele geleider vormt.

Extra bescherming
Als de pomp is aangesloten op een elektrische installatie waar een aardlekschakelaar wordt gebruikt als extra beveiliging, moet deze aardlekschakelaar van het volgende type zijn:

  • die geschikt is voor het verwerken van lekstromen en inschakelen met korte pulslekkage.
  • die uitschakelt wanneer wisselende foutstromen en foutstromen met DC-component, d.w.z. pulserende DC- en gladde DC-foutstromen, optreden.

Voor deze pompen moet een aardlekschakelaar type B worden gebruikt.
Deze stroomonderbreker moet zijn gemarkeerd met de volgende symbolen:

Opmerking: Bij het selecteren van een aardlekschakelaar moet rekening worden gehouden met de totale lekstroom van alle elektrische apparatuur in de installatie.
De lekstroom van de pomp is te vinden in het hoofdstuk Lekstroom.

Motorbeveiliging
De pomp heeft geen externe motorbeveiliging nodig. De motor is voorzien van thermische beveiliging tegen langzame overbelasting en blokkering.

Bescherming tegen transiënten van de netspanning
De pomp is beschermd tegen transiënten van de netspanning in overeenstemming met EN 61 800-3.

Voedingsspanning
3 x 380-415 V ±10%, 50/60 Hz, PE.
De voedingsspanning en -frequentie staan vermeld op het typeplaatje van de pomp. Zorg ervoor dat de motor geschikt is voor de stroomvoorziening waarop deze zal worden gebruikt.
De draden in de klemmenkast van de pomp moeten zo kort mogelijk zijn. Hierop is de aardgeleider een uitzondering; deze moet zo lang zijn dat deze als laatste wordt losgekoppeld als de kabel per ongeluk uit de kabelinvoer wordt getrokken.
Afbeelding 3 toont een voorbeeld van een op het lichtnet aangesloten pomp met netwerkschakelaar, back-upzekeringen en extra beveiliging.
Zie het hoofdstuk Voedingsspanning voor de maximale back-upzekering.
Installatie - Stap 3 - Elektrische aansluiting

De feitelijke netaansluiting wordt getoond in afb. 4.
Installatie - Stap 4

Starten/stoppen van de pomp
Het aantal starts en stops via de netspanning mag niet meer dan 4 keer per uur bedragen.
Wanneer de pomp via het net wordt ingeschakeld, start deze na ca. 5 seconden.
Als een hoger aantal starts en stops gewenst is, moet de ingang voor externe start/stop worden gebruikt bij het starten/stoppen van de pomp. Wanneer de pomp wordt gestart/gestopt via een externe aan/uit-schakelaar, start deze onmiddellijk.

Overige aansluitingen

De aansluitklemmen van externe potentiaalvrije contacten voor start/stop en digitale functie, extern setpointsignaal, sensorsignaal, GENIbus en signaalrelais worden getoond in afb. 5.
Installatie - Stap 5
Opmerking: Als er geen externe aan/uit-schakelaar is aangesloten, moeten de klemmen 2 en 3 worden kortgesloten met een korte draad.
Opmerking: Uit voorzorg moeten de draden die op de volgende aansluitgroepen moeten worden aangesloten, over hun hele lengte door middel van versterkte isolatie van elkaar worden gescheiden:

  1. Ingangen (externe start/stop, digitale functie, setpoint- en sensorsignalen, klemmen 1-8, en busaansluiting, A, Y, B).
    Alle ingangen (groep 1) zijn intern gescheiden van de stroomvoerende delen door middel van versterkte isolatie en galvanisch gescheiden van andere circuits.
    Alle regelklemmen worden geleverd door veilige extra lage spanning (PELV), waardoor bescherming tegen elektrische schok is gewaarborgd.
  2. Uitgang (signaalrelais, klemmen NC, NO, C).
    De uitgang (groep 2) is galvanisch gescheiden van andere circuits. Daarom kan de voedingsspanning of veilige extra lage spanning naar wens op de uitgang worden aangesloten.

Een galvanisch veilige scheiding moet voldoen aan de eisen voor versterkte isolatie, inclusief kruipafstanden en spelingen die zijn gespecificeerd in EN 50 178.

Signaalkabels

  • Gebruik afgeschermde kabels met een doorsnede van minimaal
    0,5 mm² en max. 1,5 mm² voor externe aan/uit-schakelaar, digitale ingang, setpoint- en sensorsignalen.
  • De schermen van de kabels moeten aan beide uiteinden met een goede frameverbinding op het frame worden aangesloten. Ze moeten zo dicht mogelijk bij de klemmen zitten, afb. 6.
    Installatie - Stap 6 - Signaalkabels
  • Schroeven voor frameaansluitingen moeten altijd worden aangedraaid, ongeacht of er een kabel is gemonteerd of niet.
  • De draden in de klemmenkast van de pomp moeten zo kort mogelijk zijn.

Voor de busaansluiting moet een afgeschermde 2-aderige kabel worden gebruikt. Sluit het scherm aan beide uiteinden aan op klem Y, afb. 7.

De pomp instellen

E-pompen kunnen worden ingesteld op twee regelmodi, namelijk geregelde en ongeregelde werking.
De pomp instellen
In de geregelde-werkingsmodus past de pomp zijn prestaties aan het gewenste setpoint voor de regelparameter (druk, verschildruk, temperatuur, verschiltemperatuur of flow) aan. Afbeelding 8 toont een drukgestuurde pomp als voorbeeld van geregelde werking.
In de ongeregelde-werkingsmodus werkt de pomp volgens de ingestelde constante curve.
De pompen zijn in de fabriek ingesteld op ongeregelde werking, zie het hoofdstuk Fabrieksinstelling.

Naast de normale werking (geregelde of ongeregelde werking) kunnen de volgende werkingsmodi worden geselecteerd: Stop, Min. of Max..

De max. curve kan bijvoorbeeld worden gebruikt in verband met de ontluchtingsprocedure tijdens de installatie.
De min. curve kan worden gebruikt in perioden waarin een minimum flow vereist is.
De werkingsmodi (Stop, Normaal, Min., Max.) kunnen allemaal worden ingesteld op het bedieningspaneel van de pomp.
Als de stroomtoevoer naar de pomp wordt onderbroken, wordt de pompinstelling opgeslagen.
De afstandsbediening R100 biedt extra mogelijkheden voor instellingen en statusweergaven, zie het hoofdstuk Instellen met behulp van R100.

Fabrieksinstelling

De pompen zijn in de fabriek ingesteld op ongeregelde werking. De setpointwaarde komt overeen met 100% van de maximale pompprestaties (zie het gegevensblad voor de pomp).
Andere pompinstellingen zijn gemarkeerd met een vet lettertype onder elke afzonderlijke weergave in de hoofdstukken Menu OPERATION en Menu INSTALLATION.

Instellen via het bedieningspaneel

waarschuwing Bij hoge systeemtemperaturen kan de pomp zo heet zijn dat alleen de knoppen mogen worden aangeraakt om brandwonden te voorkomen.
Het bedieningspaneel van de pomp, afb. 10, omvat het volgende:

  • Knoppen "+" en "–" voor het instellen van het instelpunt.
  • Gele lichtvelden voor indicatie van het instelpunt.
  • Indicatielampjes, groen (werking) en rood (storing).

Instellen van het instelpunt

Het gewenste instelpunt wordt ingesteld door op de knop "+" of "–" te drukken.
De lichtvelden op het bedieningspaneel geven het ingestelde instelpunt aan.

Pomp in geregelde bedrijfsmodus (drukregeling)

Afbeelding 11 laat zien dat de lichtvelden 5 en 6 zijn geactiveerd, wat een gewenst instelpunt van 3 bar aangeeft met een sensor meetbereik van 0 tot 6 bar. Het instelbereik is gelijk aan het sensor meetbereik (zie typeplaatje sensor).

Pomp in ongeregelde bedrijfsmodus

In de ongeregelde bedrijfsmodus wordt de pompprestatie ingesteld binnen het bereik van min. tot max. curve.

Instellen op max. curve bedrijf

Druk continu op "+" om over te schakelen naar de max. curve van de pomp (bovenste lichtveld knippert). Wanneer het bovenste lichtveld brandt, moet "+" 3 seconden worden ingedrukt voordat het lichtveld begint te knipperen.
Om terug te schakelen, drukt u continu op "–" totdat het gewenste instelpunt wordt aangegeven.
Instellen via het bedieningspaneel

Instellen op min. curve bedrijf

Druk continu op "–" om over te schakelen naar de min. curve van de pomp (onderste lichtveld knippert). Wanneer het onderste lichtveld brandt, moet "–" 3 seconden worden ingedrukt voordat het lichtveld begint te knipperen.
Om terug te schakelen, drukt u continu op "+" totdat het gewenste instelpunt wordt aangegeven.

Starten/stoppen van de pomp

Stop de pomp door continu op "–" te drukken totdat geen van de lichtvelden is geactiveerd en het groene indicatielampje knippert.
Start de pomp door continu op "+" te drukken totdat het gewenste instelpunt wordt aangegeven.

Instellen met de R100

De pomp is ontworpen voor draadloze communicatie met de GRUNDFOS-afstandsbediening R100.
De R100 communiceert met de pomp via infrarood licht. De zender en de ontvanger zijn ingebouwd in het bedieningspaneel van de pomp.
Instellen met de R100 - Stap 1
Tijdens de communicatie moet de R100 op het bedieningspaneel gericht zijn.
Wanneer de R100 met de pomp communiceert, zal het rode controlelampje snel knipperen.
De R100 biedt extra mogelijkheden voor het instellen en weergeven van de status van de pomp.

De displays zijn verdeeld in vier parallelle menu's:
Instellen met de R100 - Stap 2

  1. ALGEMEEN (zie de bedieningsinstructies voor de R100)
  2. WERKING
  3. STATUS
  4. INSTALLATIE

Het nummer dat bij elk afzonderlijk display in afb. 16 staat, verwijst naar het hoofdstuk waarin het display wordt beschreven.

Wanneer de communicatie tussen de R100 en de pomp tot stand is gebracht, verschijnt het eerste display in dit menu.

  1. Instelling van het setpoint

    Setpoint ingesteld
    Werkelijk setpoint
    Werkelijke waarde
    In dit display wordt het setpoint ingesteld.
    In de bedrijfsmodus geregeld is het instelbereik gelijk aan het meetbereik van de sensor.
    In de bedrijfsmodus ongeregeld wordt het setpoint ingesteld in % van de maximale prestaties. Het instelbereik ligt tussen de min. en max. curven.
    Selecteer een van de volgende bedrijfsmodi:
    • Stop,
    • Min. (min. curve),
    • Max. (max. curve).

Als de pomp is aangesloten op een extern setpointsignaal, is het setpoint in dit display de maximale waarde van het externe setpointsignaal, zie hoofdstuk Extern setpointsignaal.
Als de pomp wordt geregeld via externe signalen (Stop, Min. curve of Max. curve) of een bus, wordt dit in het display aangegeven als er een setpointinstelling wordt geprobeerd.
In dit geval wordt het aantal mogelijke instellingen beperkt, zie hoofdstuk Prioriteit van instellingen.

  1. Instelling van de bedrijfsmodus

    Selecteer een van de volgende bedrijfsmodi:
    • Stop,
    • Min.,
    • Normaal (dienst),
    • Max.

De bedrijfsmodi kunnen worden geselecteerd zonder de setpointinstelling te wijzigen.

  1. Foutindicaties

    Als de pomp een storing heeft, wordt de oorzaak in dit display weergegeven.
    Mogelijke oorzaken:
    • Te hoge motortemperatuur
    • Onderspanning
    • Overspanning
    • Fase-uitval
    • Uitval netvoeding
    • Te veel herstarts (na storingen)
    • Overbelasting
    • Sensorsignaal buiten signaalbereik (alleen 4-20 mA)
    • Setpointsignaal buiten signaalbereik (alleen 4-20 mA)
    • Externe storing
    • Drooglopen
    • Andere storing

    Een foutindicatie kan in dit display worden gereset als de oorzaak van de storing is verdwenen.

  2. Alarmlogboek

    Als er storingen zijn aangegeven, worden de laatste vijf foutindicaties in het alarmlogboek weergegeven. "Alarm log 1" toont de nieuwste/laatste storing.
    Het voorbeeld toont de foutindicatie "Onderspanning" en de foutcode.

De displays die in dit menu verschijnen, zijn alleen statusdisplays. Het is niet mogelijk om waarden te wijzigen of in te stellen.
De weergegeven waarden zijn de waarden die van toepassing waren toen de laatste communicatie tussen de pomp en de R100 plaatsvond. Als een statuswaarde moet worden bijgewerkt, richt u de R100 op het bedieningspaneel en drukt u op "OK" (OK).
Als een parameter, bijv. snelheid, continu moet worden opgevraagd, drukt u continu op "OK" (OK) gedurende de periode waarin de parameter in kwestie moet worden bewaakt.
De tolerantie van de weergegeven waarde wordt onder elk display vermeld. De toleranties worden ter indicatie vermeld in % van de maximale waarden van de parameters.

  1. Weergave van het werkelijke setpoint
    Tolerantie: ±2%

    Dit display toont het werkelijke setpoint en het externe setpoint in % van het bereik van de minimumwaarde tot het ingestelde setpoint, zie hoofdstuk Extern setpointsignaal.
  2. Weergave van de bedrijfsmodus

    Dit display toont de werkelijke bedrijfsmodus (Stop, Min., Normal (dienst) of Max.). Verder toont het waar deze bedrijfsmodus is geselecteerd (R100, Pump, BUS, External of Stop func.). Voor meer informatie over de stopfunctie (Stop func.), zie hoofdstuk Menu INSTALLATIE > stap 8. Instelling van de stopfunctie.
  3. Weergave van de werkelijke waarde

    De werkelijk gemeten waarde van een aangesloten sensor verschijnt in dit display.
    Als er geen sensor op de pomp is aangesloten, verschijnt "–" in het display.
  4. Weergave van de werkelijke snelheid
    Tolerantie: ±5%

    De werkelijke pompsnelheid verschijnt in dit display.
  5. Weergave van opgenomen vermogen en stroomverbruik
    Tolerantie: ±10%

    Dit display toont het werkelijke opgenomen vermogen van de pomp van de netvoeding. Het vermogen wordt weergegeven in W.
    Het stroomverbruik van de pomp kan ook van dit display worden afgelezen. De waarde van het stroomverbruik is een gecumuleerde waarde die is berekend vanaf de geboorte van de pomp en kan niet worden gereset.
  6. Weergave van bedrijfsuren
    Tolerantie: ±2%

    De waarde van de bedrijfsuren is een gecumuleerde waarde en kan niet worden gereset.
  1. Selectie van besturingsmodus
    Selectie van besturingsmodus
    Selecteer een van de volgende besturingsmodi (zie afb. 8):
    • Geregeld,
    • Ongeregeld.

    De gewenste prestatie wordt ingesteld in sectie Menu BEDIENING > stap 1. Instelling setpoint.
    Opmerking: Als de pomp is aangesloten op een bus (zie sectie Bussignaal), is het niet mogelijk om de besturingsmodus te selecteren via de R100.

  2. Instelling van regelaar
    Instelling van regelaar
    In dit display kunnen de versterking (Kp) en de integraalactietijd (Ti) van de ingebouwde PI-regelaar worden ingesteld als de fabrieksinstelling niet de optimale instelling is:
    • De versterking (Kp) wordt ingesteld binnen het bereik van 0,1 tot 20.
    • De integraalactietijd (Ti) wordt ingesteld binnen het bereik van 0,1 tot 3600 s. Als 3600 s is geselecteerd, functioneert de regelaar als een P-regelaar.

    Verder is het mogelijk om de regelaar in te stellen op omgekeerde regeling (als het setpoint wordt verhoogd, wordt de snelheid verlaagd). In het geval van omgekeerde regeling moet de versterking (Kp) worden ingesteld binnen het bereik van –0,1 tot –20.
    Instellen van de PI-regelaar:
    Voor de meeste toepassingen zorgt de fabrieksinstelling van de regelaarconstanten Kp en Ti voor een optimale werking van de pomp. In de volgende gevallen kan een wijziging van de instelling nuttig of noodzakelijk zijn.
    Een wijziging van de Ti-instelling kan nuttig zijn:

    • in een drukverschilregelsysteem als de sensor ver van de pomp is geplaatst.

    Een wijziging van de Ti-instelling, en in sommige gevallen de Kp-instelling, kan noodzakelijk zijn:

    • als de pomp wordt geregeld op basis van temperatuur of temperatuurverschil.

    De onderstaande tabel toont de aanbevolen regelaarinstellingen:

    Systeem/toepassing Kp Ti
    Verwarmingssysteem1 Koelsysteem2
    0,5 0,5
    0,5 L < 5 m: 0,5
    L > 5 m: 3
    L > 10 m: 5
    0,5 0,5
    0,5 0,5
    0,5 –0,5 10 + 5L
    0,5 10 + 5L
    0,5 –0,5 30 + 5L
    1. Verwarmingssystemen zijn systemen waarin een toename van de pompprestaties zal resulteren in een stijging van de temperatuur bij de sensor.
    2. Koelsystemen zijn systemen waarin een toename van de pompprestaties zal resulteren in een daling van de temperatuur bij de sensor.
  3. Selectie van extern setpointsignaal
    Selectie van extern setpointsignaal
    De ingang voor extern setpointsignaal kan worden ingesteld op verschillende signaaltypen.
    Selecteer een van de volgende typen:
    • 0-5 V (potentiometer),
    • 0-10 V,
    • 0-20 mA,
    • 4-20 mA,
    • Niet actief.

    Als Niet actief is geselecteerd, is het setpoint dat is ingesteld met behulp van de R100 of op het bedieningspaneel van toepassing.
    Het ingestelde setpoint is de maximale waarde van het externe setpointsignaal, sectie Extern setpointsignaal. De werkelijke waarde van het externe setpoint kan worden afgelezen in sectie Menu STATUS > stap 1. Weergave van werkelijk setpoint.

  4. Selectie van relais voor fout-, bedrijfs- of gereedsignaal
    Selectie van relais voor fout-, bedrijfs- of gereedsignaal
    Er kan worden geselecteerd in welke situatie het relais moet worden geactiveerd:
    • Fout (foutindicatie),
    • Bedrijf (bedrijfsindicatie),
    • Gereed (gereedindicatie).

    Zie sectie Indicatielampjes en signaleringsrelais.

  5. Blokkering van de knoppen op de pomp
    Blokkering van de knoppen op de pomp
    De knoppen "+" en "–" op de pomp kunnen worden ingesteld op:
    • Actief,
    • Niet actief.
  6. Toewijzing van pompnummer
    Toewijzing van pompnummer
    Er kan een nummer tussen 1 en 64 aan de pomp worden toegewezen. In het geval van buscommunicatie moet aan elke pomp een nummer worden toegewezen.
  7. Selectie van functie voor digitale ingang
    Selectie van functie voor digitale ingang
    De digitale ingang van de pomp (aansluiting 1, afb. 5) kan worden ingesteld op verschillende functies.
    Selecteer een van de volgende functies:
    • Min. (min. curve),
    • Max. (max. curve),
    • Ext. fout (externe fout),
    • Flow switch.

    De geselecteerde functie wordt geactiveerd door het contact tussen aansluitingen 1 en 3 (afb. 5) te sluiten.
    Zie ook sectie Digitale ingang.
    Min.:
    Wanneer de ingang is geactiveerd, werkt de pomp volgens de min. curve.
    Max.:
    Wanneer de ingang is geactiveerd, werkt de pomp volgens de max. curve.
    Ext. fout:
    Wanneer de ingang is geactiveerd, wordt een timer gestart. Als de ingang langer dan 5 seconden is geactiveerd, wordt de pomp gestopt en wordt een fout aangegeven. Als de verbinding langer dan 5 seconden is verbroken, stopt de fouttoestand en kan de pomp handmatig opnieuw worden gestart door de foutindicatie te resetten.
    De typische toepassing is het detecteren van ontbrekende inlaatdruk of watertekort door middel van een drukschakelaar die is geïnstalleerd aan de zuigzijde van een pomp.
    Flow switch:
    Wanneer deze functie actief is, wordt de pomp gestopt wanneer een aangesloten flow switch een lage flow detecteert.
    Het is alleen mogelijk om deze functie te gebruiken als de pomp is aangesloten op een druksensor.
    Wanneer de ingang langer dan 5 seconden is geactiveerd, neemt de stopfunctie die in de pomp is ingebouwd het over, zie hieronder.

  8. Instelling van stopfunctie
    Instelling van stopfunctie
    Wanneer de stopfunctie actief is, wordt de pomp gestopt bij zeer lage flows om onnodig stroomverbruik te voorkomen. Het is alleen mogelijk om deze functie te gebruiken als de pomp is aangesloten op een druksensor.
    De stopfunctie kan worden ingesteld op:
    • Actief,
    • Niet actief.

    Er zijn twee mogelijkheden voor detectie van lage flow:

    1. Door middel van de ingebouwde "low-flow detector" die automatisch begint te werken als er geen flow switch is gekozen/aangesloten op de digitale ingang. De pomp controleert de flow regelmatig door de snelheid korte tijd te verlagen, waardoor de verandering in druk wordt gecontroleerd. Als er geen of een kleine verandering in druk is, detecteert de pomp een lage flow.
    2. Door middel van een flow switch die is aangesloten op de digitale ingang. Wanneer de ingang langer dan 5 seconden is geactiveerd, neemt de stopfunctie van de pomp het over. In tegenstelling tot de ingebouwde low-flow detector, meet de flow switch de minimale flow waarbij de pomp moet stoppen. De pomp controleert de flow niet regelmatig door de snelheid te verlagen.

    Wanneer de pomp een lage flow detecteert, wordt de snelheid verhoogd totdat de stopdruk (werkelijk setpoint + 0,5 x ∆H) is bereikt en de pomp stopt. Wanneer de druk is gedaald tot de startdruk (werkelijk setpoint – 0,5 x ∆H), wordt de pomp opnieuw gestart.
    ∆H geeft het verschil aan tussen start- en stopdrukken.
    Instelling met behulp van R100 - Stap 3
    ∆H is in de fabriek ingesteld op 10% van het werkelijke setpoint.
    ∆H kan worden ingesteld binnen het bereik van 5% tot 30% van het werkelijke setpoint.
    Opmerking: De terugslagklep moet direct voor de pomp worden gemonteerd, afb. 18. Als de terugslagklep tussen de pomp en het membraanvat is gemonteerd, moet de druksensor na de terugslagklep worden gemonteerd.

    De stopfunctie vereist een membraanvat van een bepaalde minimumgrootte. Het vat moet direct na de pomp worden geïnstalleerd en de voordruk moet 0,7 x het werkelijke setpoint zijn.
    Aanbevolen grootte van het membraanvat wanneer er geen flow switch is aangesloten.

    Nominale flow van de pomp
    [m³/h]
    Grootte membraanvat
    [liter]
    0-6 8
    7-24 18
    25-40 50
    41-70 120
    71-100 180

    Als een membraanvat van de bovenstaande grootte in het systeem is geïnstalleerd, is de fabrieksinstelling van ∆H de juiste instelling.
    Als het geïnstalleerde vat te klein is, start en stopt de pomp te vaak. Dit kan worden verholpen door ∆H te verhogen.

  9. Instelling van sensor
    Instelling van sensor
    De instelling van de sensor wordt alleen uitgevoerd in het geval van geregelde werking.
    Selecteer het volgende:
    • Sensoruitgangssignaal 0-5 V, 0-10 V, 0-20 mA of 4-20 mA,
    • sensormeeteenheid (bar, mbar, m, kPa, psi, ft, m³/h, m³/s, l/s, gpm, °C, °F of %) en
    • sensormeetbereik.
  10. Instelling van min. en max. curves
    Instelling van min. en max. curves
    Stel de min. en max. curves in % van de maximale prestatie in als het bedrijfsbereik moet worden verkleind.
    • De max. curve kan worden aangepast binnen het bereik van maximale prestatie (100%) tot min. curve.
    • De min. curve kan worden aangepast binnen het bereik van max. curve tot 12% van de maximale prestatie. De pomp is in de fabriek ingesteld op 24% van de maximale prestatie.
    • Het bedrijfsbereik ligt tussen de min. en max. curves.

Externe gedwongen stuursignalen

De pomp heeft ingangen voor externe signalen voor de gedwongen stuurfuncties:

  • Start/stop van de pomp.
  • Digitale functie.

Start/stop-ingang

Functieschema: Start/stop-ingang:
Externe gedwongen stuursignalen - Deel 1

Digitale ingang

Met behulp van de R100 kan een van de volgende functies worden geselecteerd voor de digitale ingang:

  • Minimale curve.
  • Maximale curve.
  • Externe storing.
  • Stromingsschakelaar.

Functieschema: Ingang voor digitale functie:
Externe gedwongen stuursignalen - Deel 2

Extern instelpunt signaal

Door een analoge signaaltransmitter aan te sluiten op de ingang voor het instelpuntsignaal (klem 4), is het mogelijk om het instelpunt op afstand in te stellen.
Het werkelijke externe signaal 0-5 V, 0-10 V, 0-20 mA, 4-20 mA moet worden geselecteerd via de R100, zie paragraaf Menu INSTALLATIE > 3. Selectie van extern instelpuntsignaal.
Als ongecontroleerde werking is geselecteerd met behulp van de R100, kan de pomp worden bestuurd door elke controller.
In de modus gecontroleerde werking kan het instelpunt extern worden ingesteld binnen het bereik van de laagste waarde van het sensormeetbereik tot het instelpunt dat is ingesteld op de pomp of met behulp van de R100.
Extern instelpunt signaal
Voorbeeld: Bij een lagere druksensorwaarde van 0 bar, een ingesteld instelpunt van 5 bar en een extern instelpunt van 80%, is het werkelijke instelpunt als volgt:
Hwerkelijk = (Hingesteld – Hlager) x %extern instelpunt + Hlager
= (5 - 0) x 80% + 0
= 4 bar

In de modus ongecontroleerde werking kan het instelpunt extern worden ingesteld binnen het bereik van de minimale curve tot het instelpunt dat is ingesteld op de pomp of met behulp van de R100.

Bussignaal

De pomp maakt seriële communicatie mogelijk via een RS-485-ingang. De communicatie wordt uitgevoerd volgens het GRUNDFOS-busprotocol, GENIbus-protocol en maakt verbinding met een gebouwbeheersysteem of een ander extern besturingssysteem mogelijk.
Via het bussignaal is het mogelijk om de bedrijfsparameters van de pomp op afstand in te stellen, zoals het instelpunt, de bedrijfsmodus, enz. Tegelijkertijd kan de pomp statusinformatie geven over belangrijke parameters, zoals de werkelijke waarde van de stuurparameter, het ingangsvermogen, storingsindicaties, enz.
Neem contact op met GRUNDFOS voor meer informatie.
Opmerking: Als een bussignaal wordt gebruikt, wordt het aantal instellingen dat beschikbaar is via de R100 verminderd.

Prioriteit van instellingen

De start/stop- en digitale ingangen beïnvloeden het aantal mogelijke instellingen.
Met behulp van de R100 kan de pomp altijd worden ingesteld op maximale curvewerking of om te stoppen.
Als twee of meer functies tegelijkertijd worden geactiveerd, werkt de pomp volgens de functie met de hoogste prioriteit.
De prioriteit van de instellingen wordt weergegeven in de volgende tabellen:

Zonder bussignaal
Prioriteit Mogelijke instellingen
Bedieningspaneel op pomp of R100 Externe signalen
1 Stop
2 Maximale curve
3 Stop
4 Maximale curve
5 Minimale curve Minimale curve
6 Instelling instelpunt Instelling instelpunt

Voorbeeld: Als de pomp via de digitale ingang is gedwongen om te werken volgens de maximale curve, kunnen het bedieningspaneel van de pomp en de R100 de pomp alleen instellen om te stoppen.

Met bussignaal
Prioriteit Mogelijke instellingen
Bedieningspaneel op pomp of R100 Externe signalen Bussignaal
1 Stop
2 Maximale curve
3 Stop Stop
4 Maximale curve
5 Minimale curve
6 Instelling instelpunt

Voorbeeld: Als de pomp via de digitale ingang is gedwongen om te werken volgens de maximale curve, kunnen het bedieningspaneel van de pomp, de R100 en het bussignaal de pomp alleen instellen om te stoppen.

Indicatielampjes en signaleringsrelais

De bedrijfsconditie van de pomp wordt aangegeven door de groene en rode indicatielampjes op het bedieningspaneel van de pomp.

De pomp bevat een uitgang voor een potentiaalvrij signaal via een intern relais.
De signaaluitgang kan worden ingesteld op storing, werking of gereedindicatie met behulp van de R100, zie paragraaf Menu INSTALLATIE > 4. Selectie van storings-, werkings- of gereedsignaleringsrelais.
De functies van de twee indicatielampjes en het signaleringsrelais worden weergegeven in de volgende tabel:

Indicatielampjes Signaleringsrelais geactiveerd tijdens: Beschrijving
Storing
(rood)
Werking
(groen)
Storing Werking Gereed
Uit Uit De stroomtoevoer is uitgeschakeld.
Uit Permanent aan De pomp is in werking.
Uit Knipperend De pomp is ingesteld om te stoppen.
Permanent aan Uit De pomp is gestopt vanwege een storing. Er wordt geprobeerd opnieuw op te starten (het kan nodig zijn om de pomp opnieuw op te starten door de storingsindicatie te resetten). In het geval dat de storing "droogloop" en "externe storing" veroorzaakt, moet de pomp handmatig opnieuw worden opgestart door de storingsindicatie te resetten.
Permanent aan Permanent aan De pomp is in werking, maar is gestopt vanwege een storing.
Als de oorzaak "sensorsignaal buiten signaalbereik" is, blijft de pomp werken volgens de maximale curve en kan de storingsindicatie pas worden gereset als het signaal zich binnen het signaalbereik bevindt.
Als de oorzaak "instelpuntsignaal buiten signaalbereik" is, blijft de pomp werken volgens de minimale curve en kan de storingsindicatie pas worden gereset als het signaal zich binnen het signaalbereik bevindt.
Permanent aan Knipperend De pomp is ingesteld om te stoppen, maar is gestopt vanwege een storing.

Een storingsindicatie kan op een van de volgende manieren worden gereset:

  • Door kort op de knop "+" of "–" op de pomp te drukken. Dit verandert de instelling van de pomp niet. Een storingsindicatie kan niet worden gereset met behulp van "+" of "–" als de knoppen zijn vergrendeld.
  • Door de stroomtoevoer uit te schakelen totdat de indicatielampjes uit zijn.
  • Met behulp van de R100, zie paragraaf Menu WERKING > 3. Storingsindicaties.

Wanneer de R100 communiceert met de pomp, knippert het rode indicatielampje snel.

Meggen

Opmerking: Meggen van een installatie met E-pompen is niet toegestaan, omdat de ingebouwde elektronica beschadigd kan raken.

Technische gegevens

Voedingsspanning

3 x 380-415 V ±10%, 50/60 Hz, PE.
Zie typeplaatje.

Terugvalzekering

Motorafmeting
[kW]
Max.
[A]
11 25
15 35
18.5 50
22 50

Er kunnen zowel standaard als snelle of trage zekeringen worden gebruikt.

Lekstroom

Aardlekstroom > 30 mA.
De lekstromen worden gemeten in overeenstemming met EN 60 355-1.

Ingangen/uitgang

Start/stop
Externe potentiaalvrije schakelaar.
Spanning: 5 VDC.
Stroom: < 5 mA.
Afgeschermde kabel.*

Digitaal
Externe potentiaalvrije schakelaar.
Spanning: 5 VDC.
Stroom: < 5 mA.
Afgeschermde kabel.*

Instelpunt signalen

  • Potentiometer
    0-5 VDC, 10 kΩ (via interne voedingsspanning).
    Afgeschermde kabel.*
    Maximale kabellengte: 100 m.
  • Spanningssignaal
    0-5 VDC/0-10 VDC, Ri > 50 kΩ.
    Tolerantie: +0%/–3% bij maximaal spanningssignaal.
    Afgeschermde kabel.*
    Maximale kabellengte: 500 m.
  • Stroomsignaal
    DC 0-20 mA/4-20 mA, Ri = 250 Ω.
    Tolerantie: +0%/–3% bij maximaal stroomsignaal.
    Afgeschermde kabel.*
    Maximale kabellengte: 500 m.

Sensorsignalen

  • Spanningssignaal
    0-5 VDC/0-10 VDC, Ri > 50 kΩ (via interne voedingsspanning).
    Tolerantie: +0%/–3% bij maximaal spanningssignaal.
    Afgeschermde kabel.*
    Maximale kabellengte: 500 m.
  • Stroomsignaal
    DC 0-20 mA/4-20 mA, Ri = 250 Ω.
    Tolerantie: +0%/–3% bij maximaal stroomsignaal.
    Afgeschermde kabel.*
    Maximale kabellengte: 500 m.
  • Elektriciteitsvoorziening naar sensor:
    +24 VDC, max. 40 mA.
    +5 VDC, max. 5 mA.

Signaalrelaisuitgang
Potentiaalvrij wisselcontact.
Maximale contactbelasting: 250 VAC, 2 A.
Minimale contactbelasting: 5 VDC, 1 mA.
Afgeschermde kabel: 0,5 - 2,5 mm².
Maximale kabellengte: 500 m.

Bus ingang
GRUNDFOS bus protocol, GENIbus protocol, RS-485.
0,5 - 1,5 mm² afgeschermde 2-aderige kabel.
Maximale kabellengte: 500 m.
* Dwarsdoorsnede min. 0,5 mm² en max. 1,5 mm².

Overige technische gegevens

EMC (elektromagnetische compatibiliteit)
EN 61 800-3.
Immuniteit voor elektromagnetische storing - tweede omgeving (industriële gebieden).
Neem contact op met GRUNDFOS voor meer informatie.

Beschermingsklasse
Standaard: IP 54 (IEC 34-5).

Isolatieklasse
F (IEC 85).

Omgevingstemperatuur
Tijdens bedrijf: –20°C tot +40°C.
Tijdens opslag/transport: –30°C tot +60°C.

Relatieve luchtvochtigheid
Maximaal 95%.

Geluidsdrukniveau

Motor
[kW]
Toerental vermeld op typeplaatje
[min-1]
Geluidsdrukniveau
[dB(A)]
11 2800-3000 69
15 2800-3000 70
18.5 2800-3000 70
22 2800-3000 73

Nasmeren van motorlagers

De motorlagers zijn bij levering voorgesmeerd. Na ca. 3000 bedrijfsuren moeten de lagers opnieuw worden gesmeerd.
Let op: Verwijder vóór het nasmeren de onderste plug in de motorflens en de plug in het lagerdeksel om ervoor te zorgen dat oud en overtollig vet kan weglopen.
Gebruik bij de eerste smering de dubbele hoeveelheid smeervet, aangezien het smeerkanaal nog leeg is.

Framegrootte Hoeveelheid smeervet
[ml]
Smeerintervallen
[uren]
Aandrijfzijde
(DE)
Niet-aandrijfzijde
(NDE)
MMGE 160 23 20 3000
MMGE 180 23 23

Het aanbevolen type vet is Asonic GHY 72, een smeervet op basis van polycarbamide.

Download handleiding

Hier kunt u de volledige pdf-versie van de handleiding downloaden. Deze kan aanvullende veiligheidsinstructies, garantie-informatie, FCC-regels, enz. bevatten.

Download Grundfos CRE, CRNE handleiding

Beschikbare talen

Inhoudsopgave