17 Elektrische installatie
5~12 HP
a e
b
X1A
a
Bedrading tussen units (binnen- en buitenunits) (F1/F2
links)
b
Interne bedrading tussen units (Q1/Q2)
c
Plastic beugel
d
Kabelbinder (lokaal te voorzien)
e
P-klem voor aarding kabelafscherming
Bevestig op de aangegeven plastic beugels met behulp van het
lokaal te voorziene klemmateriaal.
De bedrading voor F1/F2 tussen binnenunits MOET afgeschermd
zijn. De afscherming is geaard door middel van een metalen P-klem
(e) (alleen aan buitenunit). Strip de isolatie tot aan de afschermlaag,
om volledig contact van de aarding met de afscherming te
verkrijgen.
17.4
Bedrading tussen units aansluiten
De bedrading van de binnenunits moet worden aangesloten op de
klemmen F1 / F 2 (In-Out) op de printplaat in de buitenunit.
Zie
"17.2
Specificaties
bedradingscomponenten" [ 4 41] voor vereisten inzake bedrading.
a
1
TO
TO
TO
MULTI
IN/D
OUT/D
UNIT
F1 F2 F1 F2
Q1 Q2
b
1
INDOOR
INDOOR
INDOOR
INDOOR
OUT-
UNIT
UNIT
UNIT
UNIT
DOOR
A
B
C
D
UNIT
F1 F2 F1 F2 F1 F2 F1 F2
F1 F2 F1 F2
F1 F2
F1 F2
F1 F2
a1
Unit A (master-buitenunit)
a2
Unit B (slave-buitenunit)
b1
BS-unit 1
b2
BS-unit 2
c
Binnenunit
d
Bedrading tussen buitenunit/ander systeem (F1/F2)
Montagehandleiding en gebruiksaanwijzing
42
14~20 HP
a b
c
e
d
d
d
d
e
d
d
van
standaard
a
2
TO
TO
TO
MULTI
IN/D
OUT/D
UNIT
F1 F2 F1 F2 Q1 Q2
d
b
2
OUT-
BS
BS
DOOR
UNIT
UNIT
UNIT
F1 F2 F1 F2
c
F1 F2
▪ De bedrading tussen de buitenunits in hetzelfde leidingsysteem
moet worden aangesloten op de klemmen Q1/Q2 (Out Multi). Als
de draden op de klemmen F1/F2 worden aangesloten, zal het
systeem slecht werken.
▪ De bedrading voor de andere systemen moet worden aangesloten
op de klemmen F1/F2 (Out-Out) van de printplaat in de buitenunit
waarop de bedrading tussen de binnenunits is aangesloten.
▪ De basisunit is de buitenunit waarop de onderlinge bedrading
tussen de binnenunits is aangesloten.
Aanhaalmoment voor de schroeven van de klemmen van de
bedrading tussen units:
Schroefmaat
M3,5 (A1P)
17.5
Bedrading tussen units voltooien
Draai na de installatie afwerkingstape rond de bedrading tussen
units samen met de lokale koelmiddelleidingen, zoals hierna
afgebeeld.
a
f
c
b
d
e
a
Vloeistofleiding
b
Gasleiding
c
Hogedruk-/lagedrukgasleiding
d
Afwerkingstape
e
Kabel tussen units (F1/F2)
f
Isolatie
17.6
Elektrische voeding routeren en
bevestigen
OPMERKING
Houd de aardingskabels op minstens 25 mm van de
stroomdraden van de compressor. Anders kunnen andere
units die op dezelfde aarding zijn aangesloten slecht
werken.
De voedingsbedrading kan via de voorkant en de linkerkant worden
geleid. Maak ze vast aan het onderste montagegat.
5~12 HP
X1M
d
A
d
c
A
b
a
a
Voeding (mogelijkheid 1)
b
Voeding (mogelijkheid 2)
c
Voeding (mogelijkheid 3)
d
Kabelbinder
Aanhaalmoment [N•m]
0,8~0,96
a
d
14~20 HP
X1M
c
A
d
b
a
(a)
(a)
(a)
. Gebruik een mantelbuis.
REMA5A7Y1B9+REYA8~20A7Y1B9
VRV 5 warmteterugwinning
4P797563-1 – 2024.11
d
d