Vullen
Vullen
Elektrische geleidbaarheid en
waterhardheid
Inbedrijfstelling
Vul-/bijvulwater
16
11 Aanwijzingen voor de
waterbehandeling
Behandeling van het verwarmingswater in navolging van VDI 2035:
Als vul- en aanvullingswater mag drinkwater worden gebruikt, wanneer de
grenswaarden volgens tabel 1 worden nageleefd. Anders moet het worden
behandeld met behulp van ontzilting.
Indien de waterkwaliteit niet overeenstemt met de vereiste waarden, vervalt de
garantie voor de systeemcomponenten aan waterzijde.
Als methode voor waterbehandeling is enkel ontzilting toegestaan!
Let op
De installatie moet grondig gespoeld worden voor inbedrijfstelling. Om het
binnendringen van zuurstof zo laag mogelijk te houden, wordt het aanbevolen om
met water te spoelen en dat water dan te gebruiken voor de waterbehandeling
(vuilfilter voor ionenwisselaar schakelen).
Warmwateradditieven zoals antivriesmiddelen of inhibitoren zijn niet
Let op
toegestaan, aangezien die de verwarmings-warmtewisselaar kunnen
beschadigen. Additieven ten behoeve van het alkaliseren kunnen
voor een stabilisering van de pH-waarde door een installateur op het
gebied van de waterbehandeling worden gebruikt.
Om corrosieschade aan de aluminium verwarmings-warmtewisselaar te vermijden,
moet de pH-waarde van het verwarmingswater tussen 6,5 en 9,0 liggen!
Bij menginstallaties moet volgens VDI 2035 een pH-waarde tussen
Let op
8,2 en 9,0 worden nageleefd!
De pH-waarde moet 8-12 weken na de inbedrijfstelling nogmaals worden gecontroleerd,
aangezien die soms kan verschuiven door chemische reacties. Indien ze na 8-12 weken
niet in dit interval ligt, moeten maatregelen worden getroffen.
Vereiste warmwaterkwaliteit met betrekking tot het complete verwarmingssysteem
Grenswaarden in functie van het spec. installatievolume V
(V
= installatievolume / max. Nominaal verwarmingsvermogen
A
Omrekening totale hardheid: 1 mol/m³ = 5,6 °dH = 10°fH
V
≤ 20 l/kW
A
Totale hardheid /
baarheid
Som aardalkaliën
bij 25 °C
[kW]
[°dH]
[mol/m³] GL [µS/cm] [°dH]
1
≤ 50
≤ 16,8
≤ 3,0
2 50-200 ≤ 11,2
≤ 2
De totaal af en bij te vullen waterhoeveelheid over de looptijd van het toestel mag het drievoudige van het nominale volume
van de verwarmingsinstallatie niet overschrijden.
Bij installaties met meerdere ketels moet volgens VDI 2035 het max. nominale verwarmingsvermogen van de kleinste
1)
warmteopwekker worden toegepast
zouthoudend < 800 µS/cm / zoutarm < 100 µS/cm
2)
< 0,11°dH aanbevolen normwaarde, grens tot < 1°dH toegestaan
3)
Tabel 1
Installatie volledig ontluchten bij maximale systeemtemperatuur.
De parameters voor inbedrijfstelling moeten worden gedocumenteerd in het installatie-
boek. Dit installatieboek moet na inbedrijfstelling van de installatie worden overhandigd
aan de exploitant. De exploitant is vanaf dat moment verantwoordelijk voor het bijhouden
en bewaren van het installatieboek. Het installatieboek wordt ter beschikking gesteld
met de bijbehorende documentatie.
De eigenschappen van het water, in het bijzonder de pH-waarde, elektrische geleid-
baarheid en hardheid, moeten elk jaar worden gemeten en gedocumenteerd in het
installatieboek.
De totale vulwaterhoeveelheid over de looptijd van het toestel mag het drievoudige
van het volume van de installatie niet overschrijden (binnendringen van zuurstof!). Bij
installaties waarbij telkens veel water moet worden toegevoegd (bv. meer dan 10% van
het installatievolume per jaar) moet de oorzaak zo snel mogelijk worden opgespoord
en het probleem worden verholpen.
V
> 20 l/kW en < 50 l/kW
A
Geleid-
Geleidbaar-
Totale hardheid /
heid
2)
Som aardalkaliën
bij 25 °C
[mol/m³] GL [µS/cm]
< 800
≤ 11,2
≤ 2
< 800
< 100
≤ 8,4
≤ 1,5
< 100
A
)
1)
V
≥ 50 l/kW
A
Geleidbaar-
Totale hardheid /
heid
2)
2)
Som aardalkaliën
bij 25 °C
[°dH]
[mol/m³] GL [µS/cm]
≤ 0,11
≤ 0,02
< 800
3)
≤ 0,11
≤ 0,02
< 100
3)
3062383_201805