Oliefilter / Installatie olieleiding
Maximale leidinglengten bij
éénpijpssystemen
Anti-sifonklep
Oliepomp
brander
+
drijvende
afzuiging
Afbeelding:
Éénpijpssysteem met pomp dieper dan tank
Oliepomp
brander
-
drijvende
afzuiging
Afbeelding:
Éénpijpssysteem met pomp hoger dan tank
22
16 Olieaansluiting met
éénpijpssysteem
De filter-ontluchtercombinatie met geïntegreerde afsluiter met houder op de daarvoor
bedoelde plaatsen bevestigen. Daarbij mag de olieslang zich bij doorvoer achterwand
max. 90 cm buiten de behuizing bevinden. De filter-ontluchtercombinatie dient bij
gemonteerde toestand vrij toegankelijk te zijn.
Uitsluitend filterelementen van sinterkunststof met 25-40 μm gebruiken,
Let op
om vervuiling van de oliesproeier binnen de onderhoudsintervallen te
vermijden. Vervuilde oliesproeiers leiden tot werkingsonderbreking van
de ketel.
De installatie moet in met een eenpijpsysteem worden aangesloten. Er moet een
combinatie van filter en ontluchter met geïntegreerd afsluitventiel uit het WOLF-
leveringsprogramma worden ingebouwd.
Oude installaties met een systeem met olie retourleiding moeten naar
Let op
eenpijpsystemen worden omgebouwd. Tweepijpssystemen leiden tot
versnelde veroudering van de olie en luchtaanvoer in de olie. Zij voldoen
niet meer aan de stand van de techniek.
Er mogen uitsluitend materialen worden gebruikt die geschikt zijn voor
olieleidingen. Bij koperleidingen zijn uitsluitend metalen snijringkop-
pelingen met steunhulzen toegelaten. Ze voorkomen op betrouwbare
wijze dat er lucht wordt aangezogen.
Volgens TRÖl moet de olieleiding worden gecontroleerd op onberispelijke staat en
vakkundige Installatie en aan een afsluitende dichtheidscontrole worden onderworpen.
Deze controle moet worden uitgevoerd:
•
vóór de eerste inbedrijfstelling
•
bij ondergrondse olieleidingen vóór hun overdekking, alsook
•
na werkzaamheden aan de olieleiding (met uitzondering van het vervangen van de
oliefilter)
Om schade aan de oliepomp te voorkomen, moet de stookolie met een
Let op
geschikte handpomp naar de filter worden gezogen.
Er mag niet onder de minimumtemperatuur van +5°C worden gegaan. Bij
buitentanks moeten parallelle verwarmingen worden voorzien. De olielei-
dingen moet spanningsvrij worden gemonteerd om lekken te vermijden.
Vervuilingen kunnen de installatie beschadigen. De olieleiding moet
worden gespoeld voor de inbedrijfstelling.
De maximaal mogelijke zuigleidinglengte wordt bepaald door de drukverliezen van de
leidingen en hulpstukken alsmede de aanzuighoogte. Onder de leidinglengte wordt de
som van de lengte van alle verticale en horizontale leidingen begrepen.
Voor het bepalen daarvan kan de hieronder afgebeelde tabel worden gebruikt. Bij het
berekenen van de leidinglengte werd reeds met de afzonderlijke weerstanden van het
filter, de terugslagklep en 6 bochtstukken van 90° rekening gehouden.
Het is algemeen aanbevelenswaardig geen zuigleidingen welke langer zijn dan 40 m
te installeren.
De maximaal toelaatbare onderdruk in de zuigleiding bedraagt 0,3 bar.
B
Toestel Doorvoer
innen-Ø van
de leiding
kg/h
mm
COB-15
COB-20
tot 2,5
4
COB-29
COB-40
tot 3,7
4
Indien toegestaan, moet een drijvende of zwevende afzuiging worden toegepast.
Een drijvende afzuiging is niet toegelaten voor ondergrondse olietanks of voor olietanks
waarbij door de fabrikant een speciale afnamevoorziening is voorgeschreven.
Te groot berekende olieleidingen kunnen storingen in het bedrijf veroorzaken omwille
van luchtbellen. Daarom moet de olieleiding een binnendiameter van 4 mm hebben.
Aanzuighoogte H (m)
+4
+3
+2
+1
0
40
40
40
40
40
40
40
40
38
29
-1
-2
-3
35
25
13
22
15
9
3062383_201805