RAM wordt ook wel het gebruikersgeheugen genoemd, omdat het
geheugenruimte is waar u (als gebruiker) toegang toe hebt. U gebruikt of
bewerkt het gebruikersgeheugen als u een object invoert in het
stapelgeheugen, een object in een variabele opslaat, een vergelijking of
matrix maakt, een programma uitvoert etc.
In de volgende twee hoofdstukken, "Variabelen" en "Inhoudsopgaven"
worden de indeling en het beheer van het gebruikersgeheugen besproken.
Commando's voor het gebruik van het
geheugen
Beschikbaar geheugen. Het MEM commando ([«q] [MEMORY]
MEM) geeft het aantal ongebruikte bytes van het gebruikersgeheugen
aan.
Geheugeneisen en checksums van objecten. Het BYTES
commando ([€)[MEMORY] EYTES) gebruikt een object als argument en:
m Zet op niveau 2: de checksum van het object. De checksum is een
binair geheel getal dat kenmerkend is voor het object. U kunt
checksums gebruiken om te controleren of u een groot object
(bijvoorbeeld een programma of matrix) juist hebt ingetoetst, door de
checksum van de lijst te vergelijken met de checksum die u krijgt na
het intoetsen. (De programma's in deel 4 van deze handleiding
hebben aan het einde van de lijst een checksum met behulp waarvan
u kunt controleren of u het programma juist hebt ingetoetst.)
m Zect op niveau 1: de geheugenruimte in bytes die in beslag wordt
genomen door het object. Als het object een naam van een variabele
is, geeft het commando de geheugenruimte aan die de naam gebruikt,
evenals de inhoud. Als het om een ingebouwd object gaat, worden 2,5
bytes aangegeven.
De overige geheugencommando's worden behandeld in hoofdstuk 6,
"Variabelen en het VAR menu" en hoofdstuk 7 "Inhoudsopgaven".
5: Geheugen van de calculator
109