2. Voer de eerste rij in.
m Toets de waarde van het element 1-1 in. Tijdens het intoetsen
van cijfers worden de cursor-coordinaten vervangen door de
commandoregel.
0-0
4
Commandoregel voor
gegevensinvoer —»|1£3,45
IEEE EHD EY ES EDGTES
Druk op [ENTER]. De waarde wordt in de cel geplaatst en de cel
cursor gaat naar de volgende cel in de rij. Als het getal brederis
dan de celbreedte, geeft een ellipsis (...) "verder naar rechts"
aan. De standaard celbreedte is 4 tekens. Gebruik «WILD of
WID=+ om de cellen breder of smaller te maken.
m U kunt meer dan één element tegelijkertijd intoetsen. Daarvoor
scheidt u de elementen met spaties en voert u ze in met
ENTERJ.
m U kunt de commandoregel gebruiken om elementen bij het
invoeren te berekenen. De toetsaanslagen £6
1a [5]
ENTER] voeren bijvoorbeeld & in de matrix in.
m Druk na het invoeren van het laatste element van de eerste rij
op [¥] om derij in te voeren. Hierdoor wordt het aantal
kolommen van de matrix ingesteld en wordt de cursor
verplaatst naar het begin van de volgende rij.
3. Voer de gegevens voor de rest van de matrix in. U hoeft niet
opnicuw op [¥] te drukken; de cel-cursor verspringt automatisch
naar elke volgende rij.
4. Nadatalle gegevens ingevoerd zijn, drukt u op
om de
matrix in het stapelgeheugen in te voeren. (Let op de twee
verschillende functies van [ENTER]: Bij het invoeren van gegevens
voert
gegevens in een cel in; als er een cel-coordinaatis,
voert
de gehele matrix in het stapelgeheugen in.)
Voor het invoeren van een vector met de MatrixWriter volgt u de
bovenstaande instructies tot u de eerste (en enige) rij met gegevens hebt
afgesloten. Daarna drukt u opnieuw op
om de vector in het
stapelgeheugen in te voeren.
20: Matrices
373