(>) [VISIT] wordt bijvoorbeeld het object in niveau 3 gekopieerd naar
de commandoregel.
m Als u [*](V¥] gebruikt met het nummer van een niveau als argument,
heeft dit dezelfde functie als [®](VISIT], alleen worden niet alle
objecten gekopieerd naar de commandoregel — matrices worden
gekopieerd naar de MatrixWriter omgeving en algebraische
uitdrukkingen en eenheden worden gekopieerd naar de
EquationWriter omgeving.
Druk op
om het bewerken te be€indigen en het bewerkte object
terug te zetten op zijn oorspronkelijke plaats. Druk op
om het
bewerken te be€indigen zonder de wijzigingen op te slaan.
De inhoud van een variabele bekijken en bewerken
m Als u op [®](VISIT] drukt en de naam van een variabele als argument
gebruikt, kunt u de inhoud van die variabele bewerken in de
commandoregel. Met 'EX1' [](VISIT] wordt bijvoorbeeld de inhoud
van de variabele EX naar de commandoregel gekopieerd.
m [*](V¥] met een naam van een variabele als argument heeft dezelfde
functie, alleen worden niet alle objecten gekopieerd naar de
commandoregel — matrices worden gekopieerd naar de
MatrixWriter omgeving en algebraische uitdrukkingen en eenheden
worden gekopieerd naar de EquationWriter omgeving.
Druk op
om het bewerken te beéindigen en het bewerkte object
terug te zetten op zijn oorspronkelijke plaats. Druk op
om het
bewerken te beéindigen zonder de wijzigingen op te slaan.
Het EDIT menu
Als er een commandoregelis, wordt het EDIT menu getoond als u op
(«) [EDIT] drukt. Ook als u een object bekijkt of bewerkt, zoals in de
vorige paragraaf werd beschreven, wordt het EDIT menu getoond.
Sommige bewerkingen in het EDIT menu zijn gebaseerd op het begrip
woord — een reeks tekens tussen spaties of "nieuwe regel" tekens. Als u
bijvoorbeeld op «SKIP drukt, gaat de cursor naar het begin van een
woord.
72
3: Het stapelgeheugen en de commandoregel