Omdat de integrand reeds in het stapelgeheugen staat, gebruikt u
argumenten uit het stapelgeheugen om de integraal te berekenen.
(Instructies voor het gebruik van argumenten uit het stapelgeheugen bij
integratie vindt u op pagina 466.)
Voer de onder- en bovengrenzen in en verplaats de integrand naar
niveau 1.
0 [ENTER] Y [ENTER
3
Ss
@
:
un
a
@ [@ ROLL
1:
an 24, 0% 4
ATTN
(COLCT]EXPA12002URDZHOKJTHYLE]
Voer de integratie-variabele in en integreer de uitdrukking. Sluit de
evaluatie vervolgensaf.
(0 X [ENTER]
1: 5% (Y"3/0)+Y"3/3+Y
(>)
!
|
EVAL
(ET EY WET ESTE ETT ES
De benadering van de integraal wordt in niveau 1 geplaatst. Let erop dat
deze benadering minder nauwkeurig wordt als de waarde van Y toeneemt.
Numerieke integratie
Met numerieke integratie kunt u een bepaalde integraal benaderen
wanneer met symbolische integratie geen resultaat in gesloten vorm
verkregen wordt. Om de benadering te krijgen wordt bij numerieke
integratie een iteratieve numerieke procedure gebruikt.
U gaatals volgt te werk om numerieke integratie uit te voeren:
1. Geef de nauwkeurigheidsfactor voor de integrand aan. De
nauwkeurigheidsfactor bepaalt het acceptabele verschil tussen de
laatsteiteraties van de numerieke procedure. Behalve bij enkele
uitzonderingen is deze factor de procentuele afwijking van het
resultaat. De nauwkeurigheidsfactor wordt aangegeven door het
displayformaat:
= Druk op [+7] [MODES].
m Stel de display modus in op n Fix. Om een
nauwkeurigheidsfactor van 0,0001 (0,01%) aan te geven, drukt
u bijvoorbeeldop4 FIX .
23: Calculus
461