Plotbereik en displaybereik
Het bereik van de onafhankelijke variabele waarvoor de huidige
vergelijking geévalueerd wordt, heet het plotbereik. Tenzij anders
aangegeven, gebruikt de HP 48 het displaybereik van de x-as (aangegeven
door XRNG) als het plotbereik.U kunt echter ook INDEP gebruiken om
een ander plotbereik dan het displaybereik van de x-as aan te geven. Bij
konische en relationele grafieken (pag. 353 en 357), waarbij de
afhankelijke variabele aangegeven moet worden, kunt u DEPND
gebruiken om een plotbereik voor de afhankelijke variabele aan te geven
dat verschilt van het displaybereik van de y-as.
INDEP en DEPND gebruiken twee getallen uit het stapelgeheugen. Met
@ 18 IHDEF geeft u aan dat geplot wordt in het gebied voor de
onafhankelijke variabelen tussen 0 en +10.U kunt ook tegelijkertijd de
naam van een variabele en een bereik aangeven, door een lijst-argument
in te voeren dat er als volgt uitziet:
£ 'naam' ondergrens bovengrens
waarbij naam de naam van de variabele is en ondergrens en bovengrens
de ondergrens en bovengrens van het plotbereik defini€ren. { T 8 16
+ IHDEF geeft bijvoorbeeld aan dat er een grafiek geplot wordt voor de
waarden van de onafhankelijke variabele T in het gebied tussen 0 en + 10.
Er zijn twee gevallen waarin het aangeven van een plotbereik belangrijk
is:
m Bij parametrische graficken (pagina 356) is het displaybereik van de
x-as niet gerelateerd aan het betreffende plotbereik voor de
onafhankelijke variabele. U moet dus altijd het plotbereik aangeven
met het commando INDEDP(zie het voorbeeld op pagina 356).
m Bij relationele graficken (pagina 357) neemt het plotten mindertijd
in beslag als u een plotbereik definieert dat kleiner is dan het
displaybereik van de x-as en y-as (zie het voorbeeld op pagina 357).
19: Meer informatie over plotten en grafische objecten
343