Download Print deze pagina

HP 48SX Gebruikershandleiding pagina 84

Deel 1
Verberg thumbnails Zie ook voor 48SX:
Voorbeeld. Bereken 12 — log(100) door het LOG commando op te
nemen in de commandoregel.
Toets de volgende commandoregelin:
12 [SPC] 100 [>] [ENTRY] [*](LOG]
12 188 LOG
CENTEAE ET[EE ITED CFT
Sluit de berekening af.
=
1:
10
CHAR EAE EEN [ES IED CEE
Invoermodi
Door verschillende invoermodi is het gemakkelijker verschillende
objecttypes in te toetsen. Er zijn vier invoermodi.
De directe invoermodus. De directe invoermodus is de standaard
modus. In de directe invoermodus kan de inhoud van de commandoregel
direct ingevoerd worden als u op een functietoets of commandotoets
drukt (zoals [+], [SIN], of [STO)).
Algebraische invoermodus. (Aangeven door de ALG indicator.) De
algebraische invoermodus wordt voornamelijk gebruikt om namen en
algebraische uitdrukkingen in te toetsen die u direct wilt gebruiken. U
stelt deze modus in werking door op [] te drukken. In de algebraische
invoermodus functioneren de commandotoetsen als hulp bij het typen
(met [SIN] verschijnt bijvoorbeeld +=IH» in de display). Andere
commando's worden wel onmiddellijk uitgevoerd — bijvoorbeeld
of [€3)(PURGE).
Programma-invoermodus. (Aangegeven door de FEL indicator.) De
programma-invoer modus wordt voornamelijk gebruikt om programma's
en lijsten in te voeren en wordt in werking gesteld door op [q][« »] of
[«a)({}] te drukken. Deze modus wordt ook gebruikt voor het bewerken
van de commandoregel ([(\q] (EDIT) en [#][VISIT)). In de programma-
invoermodus functioneren de functietoetsen en commandotoetsen als
hulp bij het typen (met [SIN] verschijnt bijvoorbeeld IH in de display, en
met
krijgt u STO). Als u op een toets drukt, worden alleen niet te
programmeren bewerkingen uitgevoerd — bijvoorbeeld [ENTER], [VAR],
of [*][ENTRY].
82
3: Het stapelgeheugen en de commandoregel
loading