Verlaat de grafische omgeving; u ziet dat de resultaten als gemarkeerde
objecten in het stapelgeheugen zijn geplaatst.
ATTN]
[ATTN
Deel 2. Plot de afgeleide van de uitdrukking en bereken de coordinaten
van het snijpunt van de afgeleide dat een positieve x-coordinaat heeft, met
de oorspronkelijke uitdrukking.
Ga terug naar de grafische omgeving en plot de afgeleide.
2-60: CENTJCOORU[LAEEL]FCN
Verplaats de cursor naar het snijpunt met een positieve x-codrdinaat en
voer ISECTuit.
houd [»] ingedrukt
_FCH ISECT
SS
/ /
J
I-SECT: (1.43.-0.59)
Ga terug naar de Standaard display modus door op (¢)[MODES] STD
te drukken.
Werken met moeilijke grafieken. Bij de voorbeelden in dit hoofdstuk
worden grafieken gegenereerd waarbij het snijpunt van de x-as en y-as
zichtbaar is in de display, zodat u de informatie direct kunt zien. Het kan
echter voorkomen, dat é¢n of beide assen niet zichtbaar zijn. Ditis
afhankelijk van de uitdrukking en het huidige displaybereik. Druk in een
dergelijk geval op [(Q](REVIEW] om te bepalen welk gedeelte van de
grafiek u ziet. Stel dat u een grafick met automatische schaalverdeling
plot en dat er geen x-as in de grafiek staat. Als u op [(q](REVIEW] drukt en
een displaybereik voor de y-as van 230 tot 410 ziet, weet u dat het gedeelte
van de grafiek dat u nu bekijkt, boven de x-as ligt. Nu zijn er verschillende
mogelijkheden:
18: Fundamentele plotfuncties en functie-analyse
337