U kunt ook de afgeleide van een geplotte functie plotten.
Het huidige plottype moet FUNCTION zijn en in EQ moet een
vergelijking, een uitdrukking of ecn lijst met uitdrukkingen of
vergelijkingen staan. Er mag geen programma in staan.
Als u twee of meer vergelijkingen hebt geplot door een lijst op te slaan in
EQ (zie pagina 322), gebruiken de bewerkingen voor functie-analyse de
eerste vergelijking van de lijst, tenzij anders aangegeven. In het FCN
menu kunt u met NXEQeen andere vergelijking aan het begin van de
lijst plaatsen.
Het GRAPHICS FCN Menu
Toets
Beschrijving
ROOT
Verplaatst de cursor naar een wortel (snijpunt van de
functie en de x-as) en toont de waarde van de wortel.
Als de wortel niet in het venster staat, ziet u even de
melding OFF SCREEH voordat de waarde van de
wortel getoond wordt.
ISECT
Dezelfde functieals ROOT wanneer slechts één
functie geplot is. Als er twee of meer functies geplot
zijn, verplaatst I SECT de cursor naar het
dichtstbijzijnde snijpunt van twee functies en worden
de (x,y) codrdinaten getoond. Als het dichtstbijzijnde
snijpunt niet in het venster staat, ziet u even de
melding OFF SCREEH voordat de coérdinaten van
het snijpunt getoond worden.
SLOFE
Berekent en toont de helling van de functie bij de x-
waarde van de cursor en verplaatst de cursor
vervolgens naar het punt van de functie waar de
helling werd berekend.
AREA
Berekent en toont de opperviakte onder de kromme
tussen twee x-waarden die gedefinieerd worden door
het markeringsteken en de cursor.
330
18: Fundamentele plotfuncties en functie-analyse