Gebruik [¥] om de eerste rij te be€indigen. Voer vervolgens de rest van
de matrix in.
(v]
1
0
3
3
(SPC) 5 [SPC] 1 [ENTER]
-1 :
FTE EEE0 ETEEHED EE
Voer de matrix in het stapelgeheugen in. (Deze matrix wordt in een
volgend voorbeeld gebruikt.)
1: [[ 2-28]
[ 183]
[-3511]
Prk:PROE
[HATR[VECTR]EASE]
Matrices invoeren met de commandoregel
Om een vector in te voeren met de commandoregel gaat u als volgt te
werk:
1. Toets de scheidingstekens voor de vector in door op [Q][[]] te
drukken.
2. Toets de elementen van de vector in en scheid deze met een spatie.
3. Druk op [ENTER].
Om een matrix in te voeren met de commandoregel gaat u als volgt te
werk:
1. Toets de scheidingstekens voor de matrix in en voer de eerste rij in
door tweemaal op (\)((]]) te drukken.
2. Toets de eerste rij in. Als u dit gedaan hebt, gebruikt u [>] om de
cursor achter het afsluitende scheidingsteken van de rij te plaatsen.
3. Optioneel: gebruik [®][«=] (carriage return) om het begin van een
nieuwe rij in de display aan te geven.
4. Toets de rest van de matrix in. U hoeft opeenvolgende rijen niet te
begrenzen; de scheidingstekens worden automatisch geplaatst als u
op [ENTER] drukt.
Voorbeeld: een matrix invoeren met de commandoregel. Voer de
volgende matrix in:
20: Matrices
375