U voert gegevens als volgt in met het *+ commando:
1. Drukop CLZom IDAT te wissen.
2. Toets de gegevens voor het eerste gegevenspunt in. Als het punt
meer dan één waarde heeft, voert u de waarden als een vector in
(tussen vierkante haken). Druk op £+ om de gegevens inte
voeren in DAT.
Toets de waarden voor elk volgend punt in en druk op Z+. Na het
eerste gegevenspunt hoeft u de waarden niet meer tussen haakjes in
te voeren.
U voert gegevens als volgt in met de MatrixWriter en het NEW
commando:
1. Druk op [®](MATRIX] om de MatrixWriter te kiezen. Gebruik de
MatrixWriter om de gegevens in een matrix in te voeren. (Het
gebruik van de MatrixWriter wordt behandeld in hoofdstuk 20.)
Druk op
om de volledige matrix in het stapelgeheugen in te
voeren.
Druk op
HEH .Hierdoor wordt het alfa-toetsenbord geactiveerd
en vraagt de calculator om een naam van een variabele.
Toets een naam voor de matrix in en druk op [ENTER]. De naam van
de variabele wordt opgeslagen in ¥DAT en de matrix zelf wordt in
de variabele opgeslagen. (Als u op de vraag reageert met [ENTER],
wordt de matrix zelf in DAT opgeslagen en wordt geen naam voor
een variabele gemaakt.)
Gegevens wijzigen
Het laatste gegevenspunt wijzigen. Met het ¥- commando kunt u een
gegevenspunt wijzigen dat u zojuist met £+ in DAT hebt ingevoerd. Het
commando wordt uitgevoerd alsu op (A)
Z=+
drukt. £- verwijdert
het laatste punt in ZDAT en plaatst het in niveau 1. Als u het punt wilt
wijzigen, bewerkt of vervangt u het en gebruikt u £+ om de gecorrigeerde
gegevens terug te plaatsen in DAT.
Gegevenspunten bewerken. Druk op El'I TZ om de inhoud van
YDAT te kopi€ren naar de MatrixWriter omgeving. Na het bewerken van
de matrix drukt u op
om de bewerkte versie de huidige
statistische matrix te maken.
396
21: Statistiek