Toets de uitdrukking in.
X[3 [+ 2X[y]2
F1EX
Schakel de impliciete haakjes weer in door op [(]({ }] te drukken.
Voorbeeld 3. Toets de volgende vergelijking in:
2
3
Activeer de alpha lock voor kleine letters door op [a] (4a](a] te drukken.
(Als u op [a] drukt en vervolgens op een toets met een alfa-teken, wordt
het als een kleine letter ingevoerd.) Toets daarna de vergelijking in.
(+2) [EQUATION]
[a] la]
x(]2EH30E]R)H
y 253] ) («QE
a)a]2xy[]3
J]
Schakel de alpha lock voor kleine letters weer uit door opnieuw op [a]
(«a)[a] te drukken.
Voorbeeld 4. Toets de volgende uitdrukking in:
2rN
2N +1
X?2 - 2XYcos
+ Y?
(2)[EQUATION
X26
oN)
2
2X J Y C08)
$2-2xvc0s(STL] +70
2 @)m ENE
16: De EquationWriter
257